Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aldus toesprak: „Nu zijn er wel, die zeggen, dat er nog iets achter deze stoffelijke wereld is, maar je weet dat wel beter. Die menschen, die dat zeggen, hebben niet beter geleerd; laat jullie ze maar stil praten. Jullie weet beter, nu je eenmaal zooveel geleerd hebt van de physica; je begrijpt, die stof is er nu eenmaal, is er altijd geweest en zal er altijd zijn; daar zit niets en niemand achter." Dit welgestaafde feit, dat een leeraar zich op een les tegenover zijn leerlingen dus uitliet, is niet ondienstig om de nog maar half-overtuigden onder ons de noodzakelijkheid óók van het middelbaar en gymnasiaal onderwijs op den grondslag der Gereformeerde beginselen te doen inzien. Deze docent toch bracht hier zijn beginselen ter sprake, en goed onderwijs kan nu eenmaal niet buiten de beginselen, de principiën blijven Dat hij in de bovenaangehaalde woorden blijkbaar zijn materialistische en dus irreligieuze wereldbeschouwing onder zijn discipelen trachtte voort te planten, getuigt op zich zelf eer voor dan tegen zijn paedagogische of opvoedkundige bekwaamheid; een goed docent toch tracht zijn leerlingen van wat hij zelf voor waar houdt te overtuigen. Dat „andersdenkenden", b. v. wij Calvinisten, zulk een wereldbeschouwing voor valsch houden, en zulk onderwijs, op zijn zachtst uitgedrukt, niet bevorderlijk achten om onze kinderen van de waarheid der onze te overtuigen, is duidelijk, en ook even duidelijk de onmogelijkheid om bij goed onderwijs, zelf in de natuurkunde, de „neutraliteit te

bewaren. . .

Bedenkelijker echter is, dat, alle diepere beginselquaestie er nu buiten gelaten, het zeggen van, „dat er achter deze stoffelijke wereld mets is", een onjuiste uitdrukking is. Hoe men toch ook denkt over de verhouding van stof en kracht, niemand die zich met natuurstudie bezighoudt, ontkent, dat er achter deze stoffelijke wereld krachten werken, dat in de stof kracht werkt. En ook de bewuste docent in de physica zou, indien hij niet beheerscht ware geweest door de passie van het „materialisme" en zich de algemeen geldende onderscheiding tusschen werkende en gewrochte natuur had herinnerd, de aangehaalde woorden wel niet gesproken hebben. Dan, niet alleen^hem, maar nog veen, speelt deze passie voor het „stoffelijke" dikwijls parten, waar zij de werkelijkheid, het bestaande, vereenzelvigen met het waarneembare, en dan in hun ijver vergeten, dat ook een kracht, dat ook een gedachte „werkelijk" is.

Doch, en ook hierop dient gewezen, het bovenzinnelijk karakter van de natuur ligt voor ons Christenen nog veel dieper dan deze in de stoffelijke natuurdingen werkende krachten. Is de „natuur toch, in den ruimsten zin, het geheel van alles, wat voor zijn ontstaan niet hangt aan menschelijk willen en daaruit opkomend handelen en maken, als Christenen belijden wij, dat dit alles zijn ontstaan^ heeft te danken aan Gods scheppende, en zijn bestaan aan Zijn voorzienige-almachtige kracht. Deze belijdenis van God Almachtig, Schepper van hemel en aarde, snijdt alle pantheïsme, alle vergoddelijking van de wereld, bij

Sluiten