Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moleculen van het lichaam en werken derhalve van molecuul op molecuul Eindelijk tusschen momenteele en continueele krachten, ot zulke die slechts voor een oogenblik, en zulke die voortdurend werken.

In 'het bijzonder spreekt men van aantrekkingskracht, waardoor het eene lichaam het andere met zich in samenhang tracht te brengen en te houden Verder van cohaesie en adhaesie, of de kracht waardoor de geliiksoortige bestanddeelen van één lichaam met elkander samenhamen en die waardoor vaak twee lichamen, wanneer hun oppen-lakten met5 elkaar in'onmiddellijke verbinding worden gebracht, dikwijls min of meer samenhangend worden. Vervolgens spreekt men van chemische affiniteit of verwantschap, waardoor ongelijksoortige atomen onder zekere omstandigheden, zich met elkaar verbinden, en eindelijk van die krachten, welke de licht-, warmte-, magnetische en electrische verschijnselen veroorzaken.

Moeten wij in ons denken kracht en stof onderscheiden, toch mag niet vergeten worden, dat zij nergens zijn gescheiden. Daar is in de zinnelijk-waarneembare natuunvereld geen kracht zonder stof en o-een stof zonder kracht. In het wezen der natuur alleen kracht ot energie" te zien, zooals in den laatsten tijd weer is voorgesteld, wordt dan ook door vele natuurkundigen even bedenkelijk geacht, als het alleen in de stof te zoeken. Zelfs het „atoom" kan men zich

niet denken zonder kracht. , ^

Voor ons Christenen nu is de laatste oorzaak van het ontstaan, zoo van de stof als de in haar werkende krachten, Gods scheppende almacht. Een geschapen stof, waarin de geschapen krachten als „tweede oorzaken" werken. Maar ook het bestaan van stof en kracht hangt voor ons besef, van oogenblik tot oogenblik, aan de eeuwige en alomtegenwoordige kracht Gods, waardoor Hij zoowel die stof en die krachten onderhoudt, als er voortdurend op inwerkt.

En daarbij ligt tevens vóór ons besef de orde, de vastheid, die wij in de natuurverschijnselen waarnemen, in de beschikking Gods, die Hij in Zijn eeuwigen Raad ook over die stoffelijke natuur heeft genomen. Hii heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden. (Psalm 148 : 6.) Waar orde is, onderstelt men ordening, wet, en zoo heeft dan de mensch uit de vastheid, die hij waarneemt in het natuurgebeuren besloten tot het bestaan van „natuurwetten". Voor ons valt de 'wezenlijke natuurwet saam met de ordinantie des Heeren. Dit begrip „natuurwet" naast „stol" en „kracht", het derde van de grondbegrippen die ons thans bij de behandeling der natuur bezighouden, eischt evenzeer een afzonderlijke bespreking, vooral ook in betrekking tot wat men de „noodzakelijkheid" der natuurwetten noemt.

Van 's Heerf.n Ordinantiën. II.

2

Sluiten