Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat is het werk geweest van de „moderne predikers".

Op die jongere generatie was ook hun hope voor de toekomst gevestigd. De strijd dier dagen trok zich samen op de quaestie van de wonderen. De zonen, door reeds twijfelende vaders toevertrouwd aan het godsdienstonderwijs dezer predikers, raakten daardoor diep overtuigd, dat wonderen onmogelijk waren, omdat zij strijden met de „natuurwetten". „De zoon des huizes", in Huët's preek ons geschetst, is een uitnemend leerling van den onderwijzer die, gelijk wij eenige bladzijden verder lezen, zelf verklaart, „dat het één dier zaken is, waaromtrent voor de rechtbank des onderzoeks (de phantasie is tolvrij) zelfs geen woord behoeft gewisseld te worden, dat de jongeling van Naïn, indien hij waarlijk een lijk was, niet weder levend kan zijn geworden".

En zoo is het dan te verstaan, dat het woord „natuurwet" bij velen, die niet door het „modernisme" zijn medegesleept, een min aangenamen klank heeft. Vooral de ouderen onder ons hebben zooveel gehoord van „natuurwetten" uit den mond van de bestrijders der Schrift, dat het woord voor hen een bijsmaak van ongeloovigheid heeft verkregen. Gesteld voor de keuze: öf natuurwetten öf wonderen, hebben zij liever hun geloof aan de eerste opgegeven, om dat aan de laatste te behouden, of zij bemoeien er zich althans liever niet mee.

Een goed Calvinist echter mag evenmin zijn geloof aan de „natuurwet" als dat aan het „wonder" prijsgeven. Het een zou toch evenzeer in strijd wezen met de Schrift als het ander.

Wij willen daarom trachten te doen zien, hoe hier geen tegenstrijdigheid heerscht, en het geloof aan vaste natuurwetten wel zeer zeker te vereenigen is met dat aan het wonder.

Alles hangt hier aan de natuuropvatting die gij hebt.

Busken Huët spreekt ergens in zijn preek van een „gezonder opvatting van de werkelijkheid", die hij toekent aan zijn gehoor. Een klinkend woord op een kansel. Of deze uitdrukking voor het gros der kerkgangers wel geheel doorzichtig zal zijn geweest, mag betwijfeld, doch zeker zullen zij zich er gevleid door hebben gevoeld en daarmee reeds half zijn gewonnen. Bedoeld zal met die „werkelijkheid" wel de natuur zijn geweest. En zeg nu aan een op het stuk van het Schriftgeloof reeds wankelende schare, dat niet aan wonderen te gelooven „een gezonder opvatting" is, een dergelijk „kansel-argument" zal zijn uitwerking niet missen.

Toch kan niet worden ontkend, dat in de laatste helft der vorige eeuw het modernisme een natuuropvatting ontmoette, welke zeker niet gezond kan worden genoemd.

Het was die ongereformeerde, wijl onbijbelsche, welke met de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods geen ernst maakt.

Volgens haar staat de geschapen wereld los tegenover God. Wel erkent men bij haar, dat God de Heere de stof en de in haar werkende krachten heeft geschapen, maar toen dat eenmaal na het werk der zes

Sluiten