Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van God. In alle ding, in alle natuurgebeuren, is God altijd als eerste Oorzaak de Werker; de geschapen krachten kunnen als tweede oorzaken niet werken zonder deze inwerking, deze medewerking Gods. Nu is èn bij de werking van Gods eeuwige en alomtegenwoordige kracht èn bij de werking van de geschapen krachten zekere standvastigheid, m. a. w. een constante werking van krachten, maar deze is er, omdat God het zoo wil.

Hierin ligt het verschil tusschen de Schriftuurlijke en de eerste, door ons veroordeelde, deïstische natuuropvatting.

Alleen deze Schriftuurlijke is de gezonde.

Bij haar is er dan ook geen strijd tusschen „natuurwet" en „wonder".

Van het „wonder" op zich zelf hebben wij, in een ander verband, reeds gehandeld in het Inleidend Deel. Hier, waar wij niet over het wonder, maar over de „natuurwetten" spreken, kan het eerste slechts in betrekking tot het laatste ter sprake komen. En dan zij nogmaals herinnerd, dat God alleen, en nooit het schepsel, wonderen doet. Zulk een wonder is dan ook altijd een werking van Gods almacht, maar op een andere wijze dan die Hij gewoonlijk wil. Bij de opwekking van een doode b. v. werkt God met Zijn eeuwige en alomtegenwoordige kracht, doch op een andere wijze dan in den gewonen gang der dingen, en wel, omdat Hij in souverein welbehagen het zoo wil.

Is noodzakelijkheid in het algemeen datgene, waarvan het tegendeel onmogelijk is, aan de „natuurwetten" komt zeer zeker noodzakelijkheid toe, m. a. w. het tegendeel van een natuurwet is onmogelijk. Onmogelijk, tenzij God het anders wil. Zij gelden niet absoluut, maar voorwaardelijk. Zij gelden onder zekere omstandigheden, en daartoe behoort ook, dat God wil, dat Zijn kracht diis werkt. Het „altijd en zonder uitzondering" is beperkt door het souvereine willen Gods.

Dat hiermede niet te kort wordt gedaan aan de vastheid van het natuurgebeuren — iets wat ieder mensch bij zijn doen en laten onderstelt, zonder welke geen menschelijk leven mogelijk ware — is duidelijk, indien men bedenkt, dat de „wonderen" altijd in verband staan met de zonde, en slechts aan bepaalde perioden in de ontwikkeling van het Godsrijk zijn verbonden.

Ook de studie der natuur, die evenzeer van de onderstelling uitgaat dat de natuurwetten noodzakelijk zijn, wordt door het voorwaardelijk karakter dezer noodzakelijkheid in het minst niet gehinderd. Haar doel is, door al dieper indringen in de gewrochte natuur, de werkende natuur' te leeren kennen; en door al scherper formuleering van de natuurwetten de juiste uitdrukking te vinden voor de wijze, waarop naar Gods constanten wil de natuurkrachten werken.

Sluiten