Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vermogen in de stoffelijke wereld, evenzeer als de stof, constant of standvastig is; m. a. w., dat het door God geschapen „arbeidsvermogen" noch vermeerderd noch verminderd wordt, er niets van verloren gaat, er niets bijkomt.

Wij zullen trachten dit nader toe te lichten.

De uitdrukking „energie" — in den zin waarin de nieuwere natuurstudie haar gebruikt het best te vertalen met „arbeidsvermogen" — hoort allereerst te huis op het gebied der mechanica of de leer der bewegingen en hare oorzaken. Noemt men de daar werkende kracht, die b. v. bij druk en stoot of bij het opheffen van lasten zich openbaart, energie, men ziet dan af van de voorwaarden waaronder zulk een kracht ontstaat, om zich uitsluitend te beperken tot haar „werking". Het komt er dan op aan, die „energie" te meten, te bepalen hoe groot zij is; m. a. w. hoeveel „arbeidsvermogen" er bij de eene of andere beweging verricht wordt. De mechanica nu leert ons, dat er een vaste vorm is om uit te drukken het „arbeidsvermogen" dat een

zich bewegend lichaam heeft. Deze vorm is mV . Daarbij is m = massa;

v het Latijnsche velocitas of snelheid, en de vorm duidt dus aan, dat dit arbeidsvermogen altijd gelijk is aan de helft van de massa, vermenigvuldigd met de tweede macht van de snelheid.

Nu onderscheidt men verder in de mechanica tusschen actueele en potentieele energie. Onder de eerste verstaat men het arbeidsvermogen in beweging, onder de laatste datzelfde arbeidsvermogen in rust. Gewoonlijk wordt dit verduidelijkt door te wijzen op het verschil tusschen een gewicht dat men in de hoogte heft en dat men vallen laat; of op het verschil tusschen een veer die men spant en die men dan terugspringen laat. Eindelijk wist men reeds sedert eeuwen, altijd nog op het gebied der mechanica, dat deze potentieele en actueele energie of arbeidsvermogen zich steeds gelijk blijft; dat b. v. het tweeërlei „arbeidsvermogen" bij den slinger van een uurwerk een constante of standvastige som is. Daalt die slinger, dan wordt de potentieele energie minder, maar door haar verkregen snelheid is de actueele energie juist zooveel toegenomen als de potentieele energie minder is. Dat de slinger evenwel eindelijk toch tot rust komt en dus niet in „eeuwigdurende beweging" blijft, heeft zijn oorzaak hierin, dat hij in zijn ophangpunt een weerstand ondervindt, ten gevolge waarvan voortdurend een kleine hoeveelheid van zijn arbeidsvermogen daar in warmte wordt omgezet.

Sedert de vorige eeuw nu is wat men hier op het gebied der mechanica vond van groote beteekenis voor de geheele natuurstudie geworden. Reeds in 1837 ontdekte de natuurkundige Friedrich Mohr, te Bonn, dat warmte een eigenaardige beweging van atomen en moleculen is, waarbij mechanische arbeid, b. v. wrijving, in warmte en deze weer in beweging wordt omgezet. Het was Robert Mayer, die in 1842 vond, dat ook hierbij het arbeidsvermogen of de energie constant blijft. Door den Engelschen geleerde Joule werd dit later experimenteel aangetoond en door Helmholtz in 1847 voor ieder gebied der natuur bevestigd en wiskunstig bewezen. Thans houdt men de

Sluiten