Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij hebben hier allereerst te denken aan de Pleiaden of het Zevengesternte.

„Kunt gij de banden, volgens een juister vertaling, der Pleiaden binden of vlechten?" heeft dan den hoog dichterlijken zin van het saambinden als tot een snoer van briljanten, van deze dicht aan elkaar verbonden sterren.

Het woord, op deze plaats met Orion overgezet, beteekent allereerst sterk zijn; vandaar, dat het ook wel vertaald werd met Reus. Den naam Orion hebben wij uit de Grieksche overzetting. Algemeen wordt aangenomen, dat hier aan dit „sterrenbeeld" van den zuidelijken hemel moet gedacht. Het losmaken van de „strengen" of de „boeien" zou ten gevolge hebben, dat de deelen van dit schitterend sterrenbeeld uiteenvielen. Moeilijker is de zin van de woorden in de eerste helft van het volgende vers. Onze Statenvertalers lieten, evenals de Grieksche overzetters, het Hebreeuwsche woord Mazsaroth maar onvertaald, omdat zij den juisten zin niet wisten.

Ook thans weet men dien niet.

Nu komt er in 2 Koningen 23 : 5, waar ons koning Josia's reformatie verhaald wordt en zijn uitroeiing van den sterrendienst in Juda, een woord voor: Mazza/oth, dat door de onzen met planeten, door anderen met „sterrenbeelden", of ook — wijl men dan aan woningen, herbergen denkt, en ook de Arabieren van de sterrenbeelden van den dierenriem spraken als van „ 12 paleizen", waarin de zon op haar weg vertoeft — met: de „ 12 teekenen van den dierenriem" wordt vertaald.

Men meent, dat Mazzaróth hetzelfde als Mazza/oth is.

Eenvoudiger is wel de gissing, bij Mazzaröth aan een stamwoord dat schitteren beteekent, te denken en op de plaats in Job te vertalen: de planeten. Het op haren tijd „voortbrengen", „naar buiten brengen" van de planeten, geeft hier althans geen slechten zin. Ook kan men nog hier, evenals in Job 9:9 — waarover straks — aan een ons onbekend sterrenbeeld van den zuidelijken hemel denken.

Duidelijker is de zin van: „den Wagen met zijne kinderen leiden", indien wij ons althans herinneren, dat de „Hemelwagen" ook „de Groote Beer" heet. De „kinderen" zijn dan de drie sterren, die den staart van den „Beer" uitmaken.

In Job 9:9: „Die den Wagen maakt, den Orion en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het zuiden," wordt met de laatste woorden vrij waarschijnlijk een sterrenbeeld van den zuidelijken hemel bedoeld.

Dat Amos, de herder van Thekoa, niet onbekend was met den sterrenhemel, is te verstaan en blijkt ook, waar hij er op wijst, hoe het Jehova is, „die het Zevengesternte en den Orion maakt" (5 : 8).

En als Jesaja den „dag des Heeren" beschrijft, heet het: „Wantde sterren des hemels en de Orions — de gesternten staat in onze vertaling — zullen haar licht niet laten lichten." (13 : 10.) Bij het meervoud hebben wij dan te denken aan den Orion en daaraan gelijke groote sterrenbeelden als den Beer en de Pleiaden.

Sluiten