Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordig onder die hemellichamen, welke zich in vaste banen rondom onze zon bewegen en van haar licht en warmte ontvangen, want evenals de aarde hebben ook zij, in onderscheiding van de „vaste sterren", geen eigen licht. Men kent thans 8 groote planeten, waarbij dan de aarde medegeteld wordt, en ongeveer 500 kleine planeten of planetoïden.

Wijl alle ons bekende planeten zich om de zon als haar centraal lichaam bewegen, spreekt men ook van ons zonnestelsel, waartoe dan. behalve de zon zelf en de planeten, ook de manen en de kometen behooren. Zijn de planeten, evenals onze aarde, bolvormige lichamen, de manen, evenzoo bolvormig, bewegen zich om haar eigen planeet en met deze om de zon. Over de kometen kan eerst later worden gesproken. Thans bepalen wij ons tot de planeten.

De planeten van ons zonnestelsel zijn, geordend naar haar afstand van de zon: Mercurius, Venus, de Aarde, Mars, de Planetoïden, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus, namen, voor het meerendeel ontleend aan de Romeinsche godenleer.

Naar de verhouding tot de baan, die de aarde jaarlijks om de zon beschrijft, onderscheidt men de planeten als binnen- en buiten-planeten.

Voor zoover toch haar banen om de zon binnen die, welke de aarde om dit hemellichaam beschrijft, vallen, spreekt men van binnen-planeten, waartoe dan Mercurius en Venus behooren. Planeten, wier banen echter buiten de aardbaan vallen — en dit zijn Mars, de Planetoïden, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus — noemt men buiten-planeten.

Alvorens ons tot de, zij het ook korte, bespreking van ieder der planeten te bepalen, willen wij in dit hoofdstuk iets mededeelen o\er de beweging der planeten in het algemeen.

Het rechte inzicht hieromtrent dateert eerst uit het midden der i6dc eeuw. Vóór dien tijd kon men niet anders zien, dan dat eenige sterren zich aan den hemel, in zeer onregelmatige banen, langs de vaste sterren bewogen. Men zag ze nu eens snel voortschrijdend, dan weer eenigen tijd stilstaand, vervolgens zelfs terugkeerend, om eindelijk weer min of meer snel vooruit te gaan. Het was vooral aan deze onregelmatigheid te wijten, dat deze sterren planeten of dwaalstevven werden genoemd. Toch is dit slechts schijn, en is later dan ook gebleken, dat de loop dezer sterren lang niet zoo ongeordend was, als men dit eeuw en

vermoed had. . .

Hoe men tot dit beter inzicht gekomen is, willen wij hier trachten

mede te deelen. _ . r

Allereerst was dit een gevolg der gewichtige ontdekking^ van coppemicus, dat de zon, ten opzichte van de „vaste sterren , stilstaat en de aarde en nog eenige andere planeten — waarvan in zijn tijd slechts een vijftal bekend waren: Mercurius, \ enus, Mars, Jupiter en

Sluiten