Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baan, waarin zich de aarde jaarlijks om de zon beweegt, naar alle richtingen tot in het oneindige verlengd, dan wordt de hemelruimte daardoor in een noordelijke en zuidelijke helft gedeeld. Noemt men dit vlak de ecliptica, de „gordel" van 40 graden, die er zich ter weerszijden van bevindt, heet, zooals wij toen zagen, de „dieremriem". Wijl verder alle planeten zich in dezelfde richting als onze aarde om de zon bewegen, zullen zij, evenals de aarde, ook de sterrenbeelden van den dierenriem doorloopen, en wel in de volgorde van: ram, stier, tweelingen enz. Nu staat de zon wel in het „brandpunt" van alle planetenbanen, doch deze banen liggen niet alle in een zelfde vlak. Zij liggen èn in betrekking tot elkander èn in betrekking tot de aardbaan en dus tot het vlak der ecliptica, deels hooger, deels lager, doch zoo, dat het vlak van alle overige planetenbanen altijd het vlak der ecliptica of de baan der aarde snijdt. Een deel van een planetenbaan zal dus noordelijk en een ander zuidelijk van de aardbaan liggen. De punten nu, waar een planetenbaan het vlak der ecliptica snijdt, noemt men knoopen. Wanneer de planeten dit op haar weg om de zon van zuid naar noord, dus noordwaarts doen, dan spreekt men van klimmende, wanneer zij dit daarentegen op haar weg van noord naar zuid, dus zuidwaarts doen, spreekt men van dalende knoopen. In de almanakken vindt men dit door bepaalde teekens aangegeven. Daar alle vlakken der planetenbanen dus het vlak van de aardbaan snijden, en, waar twee vlakken elkaar snijden, altijd een hoek ontstaat, noemt men de grootere of kleinere hoeken, die dus bij de snijding der verschillende planetenbanen met de aardbaan ontstaan, de neiging der baan tegenover de ecliptica.

De vlakken der banen nu, waarlangs de binnen-planeten Mercurius en Venus zich om de zon bewegen, snijden dus, wat uit het bovenstaande volgt, dat van de baan der aarde om de zon. De vlakken dezer banen, en natuurlijk niet die banen zelf, want men moet zich de verhouding van de baan van Mercurius en die van Venus tot de aardbaan voorstellen als van twee cirkels of ellipsen, waarvan een kleinere {Mercurius) door een grootere (Venus) en beide door een grootste (de Aarde) worden omsloten, terwijl alle drie hetzelfde middenpunt of brandpunt (de Zon) hebben.

In onderscheiding nu van de bewegingsverschijnselen der buitenplaneten doen zich bij de twee binnen-planeten, van onze aarde gezien, de vier volgende verschijnselen voor: allereerst de benedenste samenstand of conjunctie; dan de doorgang voor de zonneschijf; vervolgens de onderscheiding van morgen- en avondster, en ten vierde de grootste elongatie of uitwijking.

We zullen deze verschijnselen nader beschrijven.

Onder conjunctie of samen stand, letterlijk verbinding, verstaat men in het algemeen zulk een stand van twee hemellichamen in betrekking

Sluiten