Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongewapende oog donkere en heldere plekken, die men door middel van den telescoop als verheffingen en dalingen waarneemt. Deze verheffingen zijn bergen op de Maan, waarvan men de schaduwen duidelijk kan waarnemen. Werden de dalingen vroeger voor meren of zeeën gehouden, thans weet men, dat zich geen zeeën op de Maan bevinden, maar dat de donkere plekken „vlakten" en de heldere „bergen" zijn.

Bij de studie van de Maan heeft men aan deze bergen namen gegeven, o. a. van beroemde natuuronderzoekers. Zoo spreekt men van het gebergte van Coppernicus, van dat van Keppler, van Newton enz. De „vlakten" heeten nog uit den tijd toen men ze voor zeeën hield, „Mare Nubium", „Mare Tranquillitatis" enz.

Het vlak van den loopkring of der baan, die de maan rondom de aarde beschrijft, ligt niet in het vlak van de baan der aarde om de zon of ecliptica, maar vormt daarmede een veranderlijken hoek van tusschen de 50 en 50 18'.

In elk tijdsverloop van ongeveer negen en twintig en een halven dag zien wij de schijngestalten of phasen van de maan in dezelfde vaste orde terugkeeren. Dit is een van die dingen in de wereld, waarover de menschen zich al vroeg hebben verwonderd, en deze verwondering bracht er toe om de oorzaken van het verschijnsel na te speuren, Menschelijke wetenschap is geboren uit de „verwondering".

Wij zullen hier van deze wisselingen in de gestalten der maan zoo kort mogelijk een beschrijving en verklaring geven.

Men onderscheidt hoofdzakelijk vier „phasen", en wel „eerste kwartier", „volle maan", „laatste kwartier" en .nieuwe maan". Volle maan en nieuwe maan noemt men ook wel de „Syzygiën", van het Grieksche Syzugia, „tweespan", van Syn en Zygon, juk; eerste en laatste kwartier ook wel „quadraturen".

Deze maanphasen ontstaan door de plaats der aarde tegenover de door de zon verlichte helft van den maan-bol. Hebben wij op onze aarde de door de zon verlichte helft der maan recht voor ons, dan is het volle maan; keert de maan ons haar niet verlichte helft toe, dan is het nieuwe maan, en zien wij de helft van de verlichte en de helft der niet verlichte oppervlakte, dan hebben wij de kwartieren. Zien wij de verlichte zijde rechts, dan hebben wij eerste kwartier; zien wij haar links, dan hebben wij laatste kwartier.

Staat nu de maan bij haar loop om onze aarde tusschen de laatste en de zon, dan zal haar niet-verlichte helft ons toegekeerd zijn, en wijl de maan zelf geen eigen licht bezit, maar donker is, kan haar donkere schijf van onze aarde uit dan niet gezien worden; wij hebben dan „nieuwe maan". De maan blijft dan één tot drie dagen onzichtbaar en gaat gelijk met de zon op en onder. Na ongeveer 3V2 dag is de maan op haar weg verder gekomen en vertoont zich kort na zonsondergang als een „sikkel", men noemt dit „eerste octant . Deze sikkel wordt dagelijks breeder, de maan gaat iederen dag later na zonsondergang op, tot zij ongeveer 7 dagen na „nieuwe maan" in het „eerste kwartier" staat. Na ongeveer 3Va dag staat zij inde „tweede octant", om ongeveer 7 dagen na „eerste kwartier", als „volle maan" aan den hemel te staan. De geheel verlichte schijf gaat dan bij zons-

Sluiten