Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ingevoerde acacia; maar ook de erwten en de verschillende soorten van boonen. Tot de „amandelachtigen" behooren onze vruchtboomen, en wel de kers en de pruim, de abrikoos, de perzik en de amandel. Tot de „roosachtigen" rekent men heesters of kruiden, zooals de framboos en de aardbezie, en de verschillende soorten en variëteiten van rozen. Tot de „appelachtigen", boomen of heesters, den appel en de peer, de lijsterbes, den meidoorn en den mispel. Tot de familie der „ wederik achtigen" behooren de fuchsia's en ook de in het wild groeiende, geelbloeiende „wederik" of St.-Teunisbloem. Verder dienen hier nog genoemd de „aalbesachtigen", heesterplanten waaraan de verschillende soorten van bessen groeien, en de „schermbloemigen , waartoe de giftige waterscheerling, de verschillende soorten van selderij, de peterselie? de penen en de giftige dolle kervel behooren. Eindelijk de klimop, de bekende heester met zijn groen-witte bloemen.

Tot de tweede onderafdeeling der Di-kotyledonen of twee-zaadlobbigen behooren verder die plantenfamiliën, welke zich kenmerken door een z.g. vergroeidbladige of ténbladige bloemkroon.

Wij zullen ook hier enkele van de voornaamste noemen. Allereerst de erica of de heideplantjes, die onze heidevelden bedekken. Dan de „olijfachtigen", waartoe zoowel de uit Azië afkomstige olijt als de sering en de esch behooren. Verder de „winden" met haar bekende witte kelken, en het warkruid. De laatste is een woekerplant of parasiet, welker rose stengels zich om andere planten, vooral vlas en klaver, heen warren en uit deze haar voedsel trekken. Vervolgens de Solanaeën of giftplanten, waartoe de aardappel met zijn giftige vruchten maar eetbare knollen, de zeer giftige wolfkers en de verschillende tabakssoorten (nicotianen) behooren.

Met voorbijgang van enkele andere, min belangrijke famihen, zij hier verder gewezen op de „samengesteldbloemigen", waartoe ongeveer een tiende deel van onze inlandsche planten behoort, zooals distels en korenbloemen, de bekende, meest blauwe, bloemen tusschen de korenvelden, dan asters, madeliefjes, dahlia's en zonnebloemen, maar ook de cichorei en schorseneer, de paardenbloem en de sla.

Tot de derde onderafdeeling der Di-kotyledonen eindelijk behooren die plantenfamiliën, welker bloemen zonder kroonbladeren zijn.

Ook hiervan zullen wij eenige familiën noemen.

Onder de „melden", meestal kruidachtige planten, met weinig 111 het oog vallende bloemen, rekent men de spinazie en de biet met haar verschillende variëteiten. Tot de „netelachtigen', de brandnetel, den hennep en de hop, welker bloem de aromatisch riekende, bittere sto bevat, die bij de bereiding van het bier een rol speelt. Een afzonderlijke familie zijn de z.g. „napjesdragers", dus genoemd naar het eigenaardige uitwas, dat zich om hun vrucht vormt, zooals men dat

o

Van 's Heeren Ordinantiën. II.

Sluiten