Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noodig voor haar leven. Deze elementen, alle aan de an-organische wereld ontleend, zijn deels metalloïden of „niet-metalen", zooals: stikstof, zwavel en phosphorus, waaruit, op een nog niet bekende wijze, in het plantenlichaam het eiwit ontstaat; deels metalen, waartoe vooral het ijzer behoort.

Uit zetmeel en eiwit en uit de an-organische elementen maken de cellen alles, wat zij voor haar ademhaling, groei en hare bijzondere verrichtingen noodig hebben.

Terwijl nu een deel dezer voedingsstoffen in de plaats van de uit het organisme verloren stof treedt, dient een ander deel onverwijld, als bouwstof van het organisme; zoo b. v. het zetmeel of de cellulose voor de celwanden, de eiwitstoffen voor het protoplasma. Maar nog een ander deel, en wel zetmeel en eiwit, wordt door vele planten als „reserve"-stoffen wordt bewaard; m. a. w. een deel van de voedingsstof wordt dan achtergehouden, om eerst later, onder bepaalde omstandigheden, gebruikt te worden.

Hiervoor hebben sommige planten bepaalde organen als „provisiekamers" of „stapelplaatsen", van welke de „knollen" van de aardappelplant tot de meest bekende behooren. Bij boomen en struiken doen als zoodanig de reeds genoemde „mergstralen" dienst, en wel voor de stoffen, die in het voorjaar bij het ontluiken der bladeren worden gebruikt.

Merkwaardig is verder het transport of het „vervoer" der voedingsmiddelen in het plantenlichaam zelf. Van uit den wortel wordt het water door de „vaten" naar de bladeren vervoerd. Doch ook over het algemeen grijpt er een voortdurend vervoer plaats uit de plaatsen van het ontstaan naar die van het gebruik of de „bewaring" der voedingsmiddelen.

Het zetmeel, in de bladeren gevormd, wordt dus langs een weeke cellenlaag vervoerd naar plaatsen waar het dadelijk noodig is, of wel naar de „stapelplaatsen", zooals bollen en knollen, vanwaar het dan later weer terug wordt gezonden. Het eiwit-transport geschiedt door de z.g. „zeefvaten", die in den bast liggen en dus genoemd zijn naar de zeefvormig doorboorde tusschenschotten welke zij vertoonen.

Ook speelt in het voedingsproces van de plant, zoowel als in haar leven over het algemeen, een voorname rol de transpiratie of de waterverdamping. Zij heeft plaats bij alle deelen, die aan de lucht zijn blootgesteld, en is des te sterker, naarmate de temperatuur hooger en de lucht droger is. De „worteldruk", een nog niet geheel verklaard vermogen om het door den wortel opgenomen water met kracht omhoog te persen, voorziet in het verlies van water door verdamping. Op deze wijze wordt tevens het transport der in het water opgeloste voedingsstoffen bevorderd.

Eindelijk moet hier nog gewezen op een verschijnsel in het plantenleven, dat veel overeenkomst heeft met de ademhaling der dieren. Het bestaat in een wel langzame, maar toch met ontwikkeling van

Sluiten