Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze ziel het levensbeginsel van het dier is, blijkt althans zooveel, dat wij moeten onderscheiden bij het dierlijk organisme, aan de eene zijde tusschen de stof, waaruit het lichaam bestaat, en de mechanische werkingen in deze stof, en aan de andere zijde tusschen de oorzaak van het leven. Wij kunnen ons toch geen werking denken zonder oorzaak. Het leven, ook het dierlijk leven, laat zich, zooals wij later zullen zien, niet uit bloot mechanische oorzaken verklaren. Met levensbeginsel bedoelt men het vermogen waaruit het leven werkt, de oorzaak van de levenswerking. God zelf werkt, als de eerste Oorzaak, in het dier, gelijk wij zooeven zagen, de levensverrichtingen door middel van de „tweede oorzaak", de ziel. Dit is dan ook het eigenaardige van het bezielde tegenover het onbezielde, dat men bij het bezielde een centrum, een middenpunt, een eenheidspunt van kracht heeft, waaruit alle werking opkomt. Het levensbeginsel in het dier is dus het krachts-centrum, dat van binnen uit werkt. En wijl kracht nooit zichtbaar is, moeten wij ons dit levensbeginsel, deze ziel als iets onzichtbaars, dus onzinlijks denken.

De bewering: al wat leeft is bezield, komt ons dan ook niet geheel juist voor. Bij zeer lage bloedlooze dieren, zooals moneren en microben, — waarvan de Schrift ook niet spreekt — komt het ons zelfs twijfelachtig voor, of men wel van bezield kan spreken. Daarentegen valt aan alle eenigszins hooger georganiseerden, van een kwal tot het hoogst georganiseerde zoogdier, geen ziel te ontzeggen. En het is deze ziel, waarin de kracht ligt tot al die levensverrichtingen, welke tot stand komen door middel van de vegetatieve en animale organen, van voeding en voortplanting, gewaarwording en beweging.

XXII.

DE ZIEL DER DIEREN.

(Vervolg.)

Want de ziel van het vleesch is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uwe zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen.

Leviticl'5 17 : 11.

Het bestaan der dierenziel is, gelijk dat van ziel in het algemeen, een geloofspunt. Het gaat toch uit boven het zinnelijk waarneembare, overschrijdt wat ge door uw zinnen waarnemen kunt, en alleen Gods Woord, dat u omtrent de bovenzinnelijke wereld openbaring biedt, kan u hier zekerheid geven.

Juist hierin ligt dan ook voor ons, afgezien nog van andere gronden,

Sluiten