Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of der zielkunde slechts beperken tot de zielsverschijnselen, en de vraag naar het wezen der ziel er buiten laten, Nog bezwaarlijker is echter, om langs den weg der ervaring tot kennis van het wezen der dicrenzicl te komen. Want wel kan men ook hier zijn toevlucht nemen tot het „ experiment" en tot de nauwkeurige waarneming van zintuigen, hersenen en zenuwen, maar het dier spreekt niet en zijn „zelf" kunt gij niet waarnemen.

Trachten wij daarom te meer met het gegeven der Schrift: „de ziel van het vleesch is in het bloed," winste te doen.

Dat wij hier bij „vleesch" bepaald aan de dieren hebben te denken, blijkt uit al de teksten, die wij in het vorige hoofdstuk hebben aangehaald. En evenzoo bleek toen, dat, al wisselen in die teksten de uitdrukkingen: „de ziel is in het bloed" en „het bloed is de ziel , haar zin toch niet is, dat bloed en ziel hetzelfde zijn, maar alleen, dat in het bloed van het dier zijn levensbeginsel schuilt. Bij dezendnnigen samenhang tusschen bloed en ziel zal het allereerst noodig zijn, ons een eenigszins juiste voorstelling te vormen van het bloed. Tot dusver is bij ons onderzoek naar 's Heeren ordinantiën het bloed en zijn beteekenis voor het leven slechts terloops besproken, wijl wij een ietwat breedere bespreking, juist om het innig verband tusschen het bloed en de dierenziel, tot de behandeling van dit ons tegenwoordig onderwerp moesten verdagen.

Het bloed nu is die vloeistof, welke zich bevindt in de wijd vertakte en door heel het dierenlichaam, in alle richtingen heen, loopende kanalen: de bloedvaten. Door middel van de werkzaamheid van het hart wordt het, gelijk wij reeds vroeger zagen, in voortdurende beweging gehouden, en het bevat, in opgelosten toestand, al die stoffen, welke tot onderhouding van het lichaam noodig zijn. Deze stoffen „zweeten" door de wanden der fijnere bloedvaten heen en komen zoo in de weefsels, waar zij als voedingsmateriaal gebruikt worden. Ontstaat hierdoor aan de eene zijde een voortdurende uitgave van bloed, deze wordt aan de andere zijde gedekt, doordat de voedingsbestanddeelen, na op een, zooals wij vroeger gezien hebben, eigenaardige wijze te zijn 'omgevormd, in het bloed komen. Eindelijk wordt, wat in het bloed als voedingsmateriaal voor de weefsels ongeschikt is geworden, door de nieren en de longen, uit het bloed en straks uit het lichaam verwijderd.

Zulk een voedende vloeistof, m. a. w. bloed, hebben schier alle dieren, zoowel de gewervelde als de ongewervelde; zoowel dus zoogdieren, vogels, kruipende dieren, amphibieën en visschen, als de gelede dieren, wormen, weekdieren, stekelhuidigen en holtedieren. Alleen de ééncelligen, de z.g. protozoën, maken hierop een uitsondering.

Men noemt tegenwoordig deze geheele wereld van oneindig veel-

4

Sluiten