Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziel is; de ziel mitsdien het centrum, het middenpunt van het dierlijk organisme is. Letten wij nu hierbij op wat in Psalm 104 : 29 staat, waar van de dieren wordt gezegd: „Neemt Gij hunnen adem weg, zij sterven, en zij keeren weder tot hun stof," — dan blijkt daaruit, dat wij wel degelijk in de ziel het levensbeginsel van het dier hebben te zoeken. Want wel staat daar in het oorspronkelijke een woord, dat niet alleen adem, maar ook wind en geest kan beteekenen, maar te recht hebben onze vertalers hier het woord adem gekozen; want als het dier niet meer ademt, staat het bloed stil, het dier sterft en straks ontbindt zich zijn lichaam.

Juist naar den adem, als kenmerkend levensverschijnsel, wordt, zooals wij in het vorig hoofdstuk zagen, onder alle volkeren dan ook de ziel als het levensbeginsel aangeduid.

Is nu de ziel het levensbeginsel van het dier, dat wat zijn bloed en door het bloed zijn lichaam doet leven, dan volgt daaruit, dat de diepste creatuurlijke oorzaak van alle levensfunctiën, die wij bij het dier waarnemen, in de ziel moet gezocht.

Eindelijk volgt uit onze gegevens, dat de ziel van het dier, krachtens haar innigen samenhang met het bloed, en van het bloed met het lichaam, geen ander einddoel heeft dan het lichaam.

De ziel van het dier is er om zijn lichaam.

Naast dit eene gegeven: de ziel is in het bloed, biedt de Schrift ons nog een ander voor het wezen der dierenziel, en wel, wat zij ons in het scheppingsverhaal bericht. In Genesis toch lezen wij: „En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort.'" (h. 1 : 24.) Nu kan „levende zielen" hier niet anders beteekenen, dan de ziel in haar vereeniging met het lichaam. En zoo vinden wij dan, dat het dier naar lichaam en ziel uit de aarde is; voortgekomen uit de aarde op het woord van Gods scheppende almacht. Daarmee wordt echter allerminst te kort gedaan aan wat wij zouden willen noemen het onstoffelijk wezen van de dierenziel. Stof en leven, hoe innig bij het organisme ook verbonden, moet men voor zijn denken scheiden. Het leven in de cel, in een protoplasma-klompje, is iets anders dan de bloote verbinding van de elementen waterstof, zuurstof, koolstof en stikstof, waaruit haar stof bestaat. Men kan wel met de oudste Grieksche denkers van het „leven in de stof', en met sommige geleerden uit onzen tijd van „levende atomen" of „levende stof" spreken, en dan tusschen „stof' en „leven" geen scheiding maken, maar dit is niet anders dan een poging om het mysterie van het „leven" te ontgaan. Het „leven" op aarde vertoont zich op zijn laagsten trap het allereerst in de cel, waaruit planten en dieren zijn opgebouwd, en nooit heeft men ergens uit an-organische of doode stof zelfs maar een „levende cel" zien ontstaan. Wanneer dus bij de schepping de dieren als levende zielen uit de aarde zijn voortgebracht, dan moet men daarbij wel in het oog houden, hoe de Schrift ons verhaalt, dat dit geschiedde op en na het woord van de scheppende almacht van God, die alleen, en Hij alleen, uit de doode

Sluiten