Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Schrift echter spreekt ook van den Heere onzen God als de fontein, de springbron des levens (Psalm 36 : 10); en onze Belijdenis noemt Hem: „een zeer overvloedige fontein aller goeden. Hij| is het "eVen- heeft het leven in Zich zelf en alle creatuurlyk leven is uit Hem,

gelijk'al het water dat een bron uit zich zelf doet opwellen en opspnngen.

En zoo ook, wijl alle ding wat is, hetzij zienlijk of onzienlijk, zijn aanziin en zijn aan God dankt, is Hij, de Schepper, al er dingen beginsel of grond; „de Vader, uit Welken alle dingen zijn (1 Connthe

8 • 61 en die is vóór alle dingen.

Leert nu de Schrift, dat het wezen Gods leven is en aller dingen beginsel of grond, en tevens dat geest het wezen Gods is dan volgt daaruit en nu stelliger wijze, dat waar de Schrift ons zegt. „God is sreest"' wij bij dit laatste woord hebben te denken aan leven in den ?STen, rijken zin; aan grond en beginsel zijn, in den zm van den

diensten afrond en het eerste beginsel.

Eindelijk leert de Schrift, en dat wel niet in Johannes 4 : 24, maar in T Por 2 • 11 • Want wie van de menschen weet hetgeen des menschen is,' dan dê geest des menschen, die in hem is? alzoo weet nok niemand hetgeen Gods is, dan de geest Gods —, dat 111 Lroa, wiens wezen geest is, het Zijn Geest is, waardoor Hij weet wat in Hem is waardoor Hij Zich zelf kent; van Zijn zijn, denken en willen weet heeft; weet tot in de diepten van Zijn volzalig wezen want de Geest onderzoekt ook de diepten Gods (vs. 10); m. a. w. bewustzijn

^EnZinhdïbewust-zijn nu ligt juist de volkomenheid van Zijn wezen Hieruit volgt nu, dat geest niet alleen ziet op het zijn, het wezen van den Eeuwige, maar ook op wat de gesteldheid van Zijn wezen

bewerkt; het kennen wat Godes is.

Tot zoover liep, in het vorige hoofdstuk, ons onderzoek naar het wezen van den geest, waar de Schrift dit woord gebruikt van God

den Heere.

Hier dient echter nog een opmerking aan toegevoegd. %

Sluit het woord geest, waar het gelijk in Joh. 4 : 24 ons s Heer en wezen, tot op zekere hoogte, ontsluiert, de stoffelijkheid en daarmee de lichamelijkheid uit, dit is nooit zoo te verstaan, alsof God de Heere daarmee iets zou missen, iets zou derven. Een creatuur toch, die aUeen o-eest is — gelijk, zooals wij straks zullen zien, de engel staat op de scala of trap van de schepselen lager dan een creatuur die, zooals de mensch èn geest èn stof, èn ziel èn lichaam is.

Zulk een geestelijk schepsel toch staat buiten een deel van Gods

schepping", buiten de stoffelijke wereld. , .

Een engel staat hierin gelijk met een dier, dat evenzoo buiten ee deel van Gods schepping, buiten de geestelijke wereld staat.

Maar gansch anders is dit bij den Heere onzen God.

Heel Zijn schepping dankt haar zijn en haar aanzijn aan Hem , alle dingen bestaan in en door Hem; en Hij is m alle dingen met Zijn eeuwige en alomtegenwoordige kracht.

Sluiten