Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat de Schrift ons verhaalt van Maria Magdalena, uit wie Jezus „zeven duivelen uitgeworpen had" (Markus 16 : 9).

Eindelijk de uitdrukking wagens.

De uitdrukking komt o. a. voor in Psalm 68 : 9:

Gods wagens, boven 't luchtig zwerk,

Zijn tien en tienmaal duizend sterk,

Verdubbeld in getalen.

Bij hen is zijne majesteit,

Een Sinaï in heiligheid,

Omringd van bliksemstralen.

Met „Gods wagens" worden hier de engelen bedoeld, en deze plaats is voor onze kennis van de wereld der engelen van groot gewicht.

Wanneer het toch in de Schrift heet: „Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinaï in heiligheid!" (Ps. 68 : 18) dan wordt in dezen psalm, in dit lied van strijd en overwinning, bezongen, hoe Jehova, omstuwd van Zijn hemelsche heirscharen, Zijn heiligdom op Sion binnentrekt. Iets wat herinnert aan wat eens op Sinaï gebeurd was en waarvan wij lezen in Mozes' zegening der twaalf stammen: „De Heere is van Sinaï gekomen en is hunlieden opgegaan van Seïr: Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tienduizenden der heiligen." (Deut. 33 : 2.) De getallen, in deze plaatsen genoemd, wijzen ons op de groote menigte der engelen. Ook in het boek Daniël wordt gesproken van zulke groote getallen. Het zijn duizendmaal duizenden, die God dienen, en tienduizendmaal tienduizenden, die voor Hem staan. (7 : 10.) Maar bovendien hebben wij ook een niet onbelangrijk gegeven voor onze kennis van de engelen in het feit, dat zij in Psalm 68 : 18 „Gods wagenen" worden genoemd. Om dit te verstaan, is het goed, ons te herinneren, wat van den profeet Elisa te Dothan vermeld wordt. Om hem toch van daar weg te voeren, zond de koning van Syrië paarden en wagenen en een zwaar heir, welke des nachts kwamen en omsingelden de stad (2 Koningen 6 : 15).^ En als nu de dienaar van den profeet verslagen uitroept: „Ach, mijn heer, hoe zullen wij doen ?" — ontvangt hij van den man Gods het bemoedigend antwoord: „Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn." (vs. 16.) Maar bovendien worden hem op het gebed van Elisa door den Heere zelf „de oogen geopend", en nu ziet hij, hoe het gebergte vol paarden en wagenen van vuur, rondom Elisa was. (vs. 17.)

Tusschen deze vurige paarden en wagenen uit het visioen, en de paarden en wagenen van Syrië's koning, moet hier zekere overeenkomst gezocht. Hebben wij bij de laatste aan strijdwagens te denken, ook de wagenen in de aan Elisa's dienstknecht te beurt gevallen verschijning zijn strijdwagens; deze om van 's Heeren wege Zijn volk te beschermen, gene om het van 's vijands wege te verderven. In de voorstelling

Sluiten