Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wordt ons in het eerste scheppingsverhaal, in Genesis i : 26 en 27, slechts bericht, dat God den mensch schiep naar Zijn beeld, in het het tweede scheppingsverhaal hebben wij in Gen. 2 : 7 een nader bericht omtrent zijn ontstaan.

Eerst wordt ons hier verhaald het ontstaan van het menschelijk Itchaavu De Heere God had den mensch geformeerd uit het stof der aarde, zoo lezen wij in Gen. 2 : 7. Dat met deze woorden bepaald op de vorming van zijn lichaam gedoeld wordt, is duidelijk. Maar dan volgt hier ook uit, èn dat het lichaam eerder ontstaan is dan de ziel, zoodat de voorstelling, die men bij sommige denkers vindt, alsof „de ziel zich haar lichaam bouwt", als onschriftuurlijk, beslist moet afgewezen; en dat de schepping der ziel eerst plaats greep na die van het lichaam, en wij hier dus met twee acties te doen hebben. Iets wat bovendien duidelijk wordt, doordat er staat: „En de Heere God had in zijne neusgaten geblazen den adem des levens." Het lichaam, zoo blijkt hieruit was reeds gevormd, toen God er de ziel inschiep.^

Verder is hier opmerkelijk, wat omtrent de schepping van het menschelijk lichaam verhaald wordt. Reeds in de derde afdeehng van het Inleidend Deel, waarin wij van 's Heeren ordinantiën bij de schepping handelden en bepaaldelijk tegen het z.g. Darwinisme positie namen, is hier, en wel het veertiende hoofdstuk, op gewezen. Openbaart ons de Schrift, dat de dieren door Gods scheppende almacht uit de aarde zijn voortgekomen, en wel als levende wezens, zij openbaart ons hier, dat ook' het lichaam van den mensch uit de aarde is.

Toch is er verschil.

Uit het stof van den aardbodem, d. 1. uit het fijnste deel van de aardstof, is het door den Heere God geformeerd. Juist dit laatste woord, ontleend aan wat de kunstenaar doet, wijst ons op eenhooger werken Gods dan bij het maken der dieren. En dit door God in Eden g-evormde menschenlijf mogen wij ons niet voorstellen als een standbeeld, dat slechts aan zijn oppervlakte is gemodelleerd, maar inwendig een ongevormde massa is, doch veeleer als ook reeds inwendig geor-

^ Het was reeds georganiseerde stof; de levensorganen waren er reeds in aanwezig. Niet slechts de zintuigen, zooals oogen, ooren en neus, maar ook zenuwen en hersenen, aderen en hart, longen en maag,

zullen reeds zijn gevormd. _

Dan volgt de tweede Goddelijke actie, het inblazen van den adem

des levens.

De vraag doet zich hier voor, of na de eerste actie, na de vorming van het lichaam, en nog vóór de tweede, wij ons dit zoo kunstig uit vochtie (vel. vs. 6) aardestof gevormde menschenlijf al dan niet als reeds levend hebben te denken. Wij weten toch, dat thans het menschelijk lichaam, evenals dat van plant en dier, opgebouwd wordt uit levende cellen.

Sluiten