Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet, dat, uit de wijze waarop God de Heere in de bestaande natuur werkt, te besluiten tot Zijn wijze van werken bij de schepping, geen dwingende gevolgtrekking is.

Hetzij men deze onze onderstelling aannemelijk acht, hetzij men haar verwerpt, daarvan blijft echter geheel onafhankelijk, wat uit de openbaring Gods, ons in Gen. 2 : 7 geschonken, over het oorspronkelijk ontstaan der ziel voor haar wezen valt af te leiden.

En dan volgt daaruit allereerst, dat de menscheüjk ziel, al is zij ook op een menschelijk lichaam aangelegd, toch een van dat lichaam onafhankelijk en dus zelfstandig bestaan kan hebben. Zij werd door God geschapen in een menschelijk lichaam, toen dat lichaam reeds bestond. Zij is van dat lichaam niet een eigenschap, maar heeft als dat lichaam haar eigen wezen, d. w. z. met haar ontstaan in de eerste schepping, treedt zij, gelijk zij door God van eeuwigheid in Zijn denken is bepaald, in het creatuurlijk, het geschapen Zijn.

En verder volgt uit de wijze van haar schepping haar onstoffelijke, haar geestelijke natuur. De ziel des menschen toch is — zooveel blijkt uit Genesis 2:7 — niet als die der dieren mèt het lichaam op Gods scheppingswoord voortgekomen uit de aarde; zij is ook niet, als zijn lichaam, geformeerd uit het stof der aarde, maar zij heeft haar ontstaan onmiddellijk uit God, die geest is.

Daarom verwerpen wij dan ook, op grond van Gods Woord, als dwaling die meening omtrent de natuur der ziel, welke door het grovere of meer verfijnde materialisme wordt voorgestaan, als zou de ziel stoffelijk wezen. En of men dan spreekt van een vuur- of een aether-atoom, of wel de ziel vereenzelvigt met hersenmoleculen, is ons vrij wel onverschillig.

Maar evenzeer verwerpen wij, op grond van Gods Woord, de thans, in het moderne denken, gangbare „eenheidsleer" of „monisme , waarbij geest en stof niet wezenlijk onderscheiden worden en lichaam en ziel als twee „bestaanswijzen" van het „Al-eene" worden beschouwd.

En niet minder onaannemelijk is voor ons de hypothese der evolutie, in welken vorm ook, als zou de menschenziel zich uit de dierenziel hebben ontwikkeld. Gods Woord alleen is ook hier voor ons Gereformeerden beslissend, en dat Woord openbaart ons, dat de ziel geen gewrocht van evolutie, maar van Gods scheppende almacht is.

Behoort dus de menschenziel, op grond van Gods Woord, tot de on-zinnelijke, geestelijke wereld, zij is, naar datzelfde Woord, uit God, maar ook door God geschapen.

Zij is uit God.

En dat nog in anderen en veel dieper zin, dan waarin heel de wereld uit God is. Het is toch niet zonder beteekenis, dat de Schrift in Genesis 2 : 7 zegt, dat de Heere in 's menschen neusgaten had

Sluiten