Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan het willen van den naar Zijn beeld geschapen mensch, als Zijn gebod en richtsnoer oplegt en, krachtens Zijn recht op den mensch, in de wereld der menschen handhaaft; van wat men pleegt te noemen de zedelijke wereldorde.

Het geheel kan dan een bijdrage zijn tot verrijking van wereldkennis en daarmee van kennisse Gods. Het kan onzen lezers bieden

beginselen ^ vensbeschouwin£- °P den grondslag der Gereformeerde En dit laatste in zeer volstrekten zin.

Want voor ons, Gereformeerden, voor wie de Schrift als Gods Woord een heel ons denken over wereld en leven beheerschend beginsel is, an wat de psalmist zingt: „In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien, maar Uw_ gebod is zeer wijd" (Psalm 119 : 96) en waarmee nij gelijk wij in den aanvang van dit werk aantoonden — juist uitspreekt dat staan van heel de wereld onder Gods souvereine schiking en beschikking, — niet maar zijn alleen 'n beschouwing, 'n theorie onder vele andere, gelijk berechtigd en staande op één lijn met andere wereld- en levenstheorieën; maar voor ons, die vast overtuigd karakter waal"heid der Schrift, draagt deze theorie een absoluut

Wij zijn verzekerd dat zij de eenig ware is; dat alleen dit denken met de werkelijkheid overeenkomt; dat 'n mensch de wereld en het even met alleen zoo wel kan, maar, in gehoorzaamheid aan zijn God, ook zoo moet beschouwen. En het is dan ook alleen deze theorie, die de wereld en het leven op eene, zoowel ons denken als ons gemoed, telkens al meer bevredigende wijze verklaart.

Wij zetten in dit hoofdstuk voort ons onderzoek naar 's Heeren ordinantiën voor de ziel des menschen.

In de laatste twee hoofdstukken der tweede afdeeling over's Heeren ,lnantl.ën in de natuur is dit reeds aangevangen, en wel met het onderzoek naar het wezen der ziel, naar wat zij is. Uit hetgeen God

nmtronf u en ™el bepaald in Genesis 2:7, geopenbaard heeft

2°?ün J ontstaan bij de schepping van Adam, den eersten mensch, hebben wij getracht dit af te leiden.

het; toen noS uitsluitend om de ziel als geestelijk wezen, afgeacht van haar verbinding met het lichaam, en vonden wij, dat zij is mLlnSn iJu enkelvoudig, onsterfelijk wezen, aangelegd op een menschelijk lichaam, wij willen thans onderzoeken, wat voor de nadere

omtrpnfT8 va" haaru.^fzen volgt uit wat wij mogen vermoeden haar ontstaan bij de voortplanting van het menschelijk geslacht.

Sluiten