Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op Christelijk standpunt, en verrijkt met de kennis omtrent „de bevruchte ei-cel" en de ontwikkeling van het embryo, moet men dan ook in deze lijn blijven voortdenken. Alleen wil het ons voorkomen, dat de scheidslijn tusschen het vegetatieve en het animale leven van de nog ongeboren vrucht door deze denkers te scherp getrokken is, en tevens, dat wat zij leeren van een „te niet maken", een „verderven" van het lagere door het hoogere „levensbeginsel", herzieningnoodig heeft.

Liever dan van een te niet doen of verderven van leven, dat toch ook later zich wel degelijk blijft openbaren — men denke b.v. aan het „vegetatieve" of groeiende leven —, spreken wij dan ook van een opheffen van dat leven tot een hoogeren bestaansvorm.

Op het oogenblik wanneer God de Heere de menschelijke ziel als een onstoffelijk, eenvoudig en onsterfelijk wezen schept en haar scheppende met het lichaam vereenigt, wordt het tot dusver vegetatief-animale leven tot een menschelijk leven; het vegetatief-animale levensbeginsel, dat in het embryo werkte, verhoogd, opgeheven tot 'n menschelijke ziel.

Van dat oogenblik af, en dit volgt dan hieruit voor de nadere kenschetsing van het wezen der ziel, is zij, de ziel, ook de grond van de levensverschijnselen.

En zoo vinden wij dan, hoe het God is, die middellijk het menschenlichaam maakt en onmiddellijk de menschenziel schept, en beide verbindt tot 'n mensch.

De Geest des Heeren heeft mij gemaakt, de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt. (Job 33 : 4.)

III.

BEWUSTZIJN.

Boter en honig zal hij eten, totdat hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede.

Zekerlijk, eer dit knechtje weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede, zal dat land, waarover gij verdrietig zijt, verlaten zijn van zijne twee koningen.

Jesaja 7 : 15 en 16.

Bij ons onderzoek naar het wezen der ziel, uit wat ons bekend is van haar ontstaan, vonden wij, dat zij is een onstoffelijk, eenvoudig, onsterfelijk wezen, door God geschapen, aangelegd op een menschelijk lichaam en, met dat lichaam vereenigd, de grond van de levensverschijnselen.

Sluiten