Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze deze norm krachtens haar schepping heeft, dan wel eerst van buiten af verkrijgt, voorloopig laten rusten.

Hier zij er slechts op gewezen, hoe de onderscheiding der ziel, waarin heel de grondfunctie van het bewustzijn opgaat, een natuurordinantie Gods is.

En dat het tot dit onderscheiden eerst van lieverlede komt, leert ons ook de Schrift.

In het boek Jona wordt van de jonge kinderen in Ninevé gesproken als van menschen, „die geen onderscheid weten tusschen hunne rechterhand en hunne linkerhand (Jona 4 : 11). In Deuteronomium lezen wij van „kinderen die heden noch goed noch kwaad weten" (h. 1 : 30) Eigenaardig is hier echter bovenal, wat wij in Jesaja 7 : 15 en 16 lezen: „Boter en honig zal hij eten, totdat hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede. Zekerlijk, eer dit knechtje weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede, zal dat land, waarover gij verdrietig zijt, verlaten zijn van zijne twee koningen."

Er is hier sprake van de twee koningen Rezin van Syrië en Pekah van Israël, die in Achaz' dagen tegen Jeruzalem optrokken ten strijde. Hun land Syrië en Israël — zal echter spoedig zijn verwoest ontvolkt, verlaten. En ook is hier sprake van het kind Immanuël. Dit kind zal, wanneer het nog niet tot „de jaren des onderscheids" gekomen is, wanneer het nog geen verschil kent tusschen goed en kwaad, dus op jeugdigen leeftijd, „boter en honig eten". Bij „boter" hebben wij hier te denken aan het product, dat de woestijnbewoners bereiden, door de melk in hun lederzakken te schudden. Boter en honig is dus de spijze der woestijn, want het geboorteland zal dan verwoest zijn, en in het verwoeste land zal geen andere spijze te verkrijgen wezen. Maar ook zeer spoedig, nog eer dit knechtje tot „de jaren des onderscheids" komt, weet te verwerpen het kwade en te verkiezen het goede, zal ook het land van Juda's vijanden verwoest zijn.

Wij kunnen hier op de Immanuël-profetie niet verder ingaan. Het is ons alleen te doen, aan te wijzen hoe ook de Schrift het verwerpen van het kwade en het verkiezen van het goede, dus de „onderscheiding", eerst later bij het kind laat optreden.

Komen wij thans, na van het bewustzijn te hebben gesproken als van een toestand en functie der ziel, tot zijn inhoud.

De ziel onderscheidt haar gewaarwordingen en maakt ze daardoor, gelijk wij zagen, tot voorstellingen.

Deze voorstellingen zijn in haar bewust, in het bewustzijn, en deze zijn tevens vele en velerlei. Allerlei werkingen en aandoeningen grijpen in de ziel plaats, en van vele dier werkingen en aandoeningen is zij zich bewust, heeft zij weet, omdat zij er voorstelling van heeft Deze voorstellingen wisselen, iederen dag, ieder oogenblik. Het leven onzer ziel is zoo rijk, doordat onze gewaarwordingen zoo vele en velerlei zijn-

Sluiten