Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met twee voorbeelden op te helderen, een architect met honderd werklieden een huis bouwt, dan gaat dit geheel buiten de ziel van hem en zijn arbeiders om. Het is een zuiver physisch gebeuren, dat uitsluitend verklaard moet uit de constitutie der menschenlichamen, hun zenuwen en spieren, en uit den aard der daarop werkende prikkels. En het tweede voorbeeld. Wanneer ik in mijn ziel de gewaarwording heb van toon en klank, dan moge die gewaarwording al begeleid. worden door de luchttrillingen, die, veroorzaakt door een muziekinstrument, mijn gehoorzenuwen in beweging brengen, maar deze zenuwprikkels — een zuiver lichamelijk gebeuren — veroorzaken niet mijn klank- en toon-gewaarwording — een zuiver psychisch gebeuren.

Men ziet, hoe met deze theorie van het psycho-physische parallelisme voor de verklaring van het verband tusschen lichaam en ziel niets is gewonnen. Integendeel, volgens haar is er juist geen wisselwerking tusschen lichaam en ziel.

Vatten wij het bovenstaande samen, dan zal ons blijken, dat geen der drie vermelde theorieën hier een oplossing biedt. Die van den influxus physicus of den „natuurlijken invloed" zeker allerminst, wijl zij geen rekening houdt met het geestelijk wezen der ziel. Maar ook het occasionalisme, hetzij in zijn ouderen vorm, hetzij gelijk het door Leibnitz gewijzigd is, vermag dit evenmin als het thans weer oplevend parallelisme. Bij deze laatste twee theorieën kan men de verhouding van lichaam en ziel het best verduidelijken met die van twee uurwerken, twee klokken, die naast elkaar staan. Zij loopen gelijk, zij slaan te gelijk. Bij het oudere occasionalisme is het een ander, die ze telkens te gelijk doet loopen en slaan: God, die bij elke „gelegenheid" de ziel te gelijk doet werken met het lichaam. In Leibnitz' theorie zijn de twee klokken van eeuwigheid gelijk gezet, en blijven gelijk; zonder beeldspraak: God heeft de overeenkomst, de harmonie van eeuwigheid vóór-bepaald. In het nieuwere parallelisme daarentegen valt de Goddelijke factor weg, en loopt de physische werking parallel, evenwijdig naast de psychische, zonder dat men weet hoe.

Toch was het noodig, bij de vraag naar de verhouding van ziel en lichaam, deze theorieën te vermelden. Wij kunnen er althans uit leeren, hoe men zich die verhouding niet denken moet.

Vraagt men, of er dan een andere theorie te geven is, die het feit der wisselwerking van lichaam en ziel voldoende verklaart, dan moet deze vraag, zooals boven reeds is vermeld, ontkennend worden beantwoord.

Of men toch al, gelijk door de joude Christelijke denkers vaak is geschied, met teruggang op den Griekschen wijsgeer Aristoteles, in de ziel den vorm en in het lichaam de stof ziet, maakt de zaak waarlijk, afgezien nog van heel deze onderscheiding tusschen „stof' en „vorm", niet veel duidelijker.

Onverholen moet dan ook ^-kend, dat wij hier voor een raadsel

Van 's Heeren Ordinantiën. II. ai

Sluiten