Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE AFDEELING.

I.

HET PSYCHISCH GEBEUREN.

En de Heere God had den mensch geformeerd uit het stof der aarde, en in zijne neusgaten geblazen den adem des levens; alzoo werd de mensch tot eene levende ziel.

Genesis 2:7.

Een nieuw onderwerp vraagt thans onze aandacht: de ordinantiën des Heeren voor al wat er gebeurt in de menschelijke ziel; de vaste wetten waarnaar, onder bepaalde omstandigheden, altijd en overal plaats grijpt het gewaarworden en voorstellen, het begeeren en willen en nog zooveel meer; de natuurwetten voor al dit psychisch gebeuren, zooals men dat noemt naar het Grieksche woord voor ziel, psyche.

Wij konden dit onderwerp eerst behandelen in deze vierde afdeeling van 's Heeren ordinantiën in de natuur.

Verstaan wij hier toch onder ^atuur al wat in zijn bestaan en ontstaan onafhankelijk is van 's menschen willen; wat zijn ontstaan aan Gods schepping, zijn voortbestaan aan Zijn voorzienigheid dankt; — in deze natuur of, wilt gij liever, deze Schepping Gods onderscheiden wij drieërlei gebied, en wel dat van het stoffelijke, dat van het geestelijke en dat van het stoffelijk-geestelijke.

Voor ieder dezer gebieden stelde God Zijn ordinantiën.

Over die in de stoffelijke wereld met de in haar werkende krachten liep de eerste, over die in de wereld der geesten liep de tweede, over die in de wereld van den mensch, welke in de eenheid van zijn lichaam en ziel het stoffelijke en geestelijke in zich verbindt, loopen de derde en deze vierde afdeeling van 's Heeren ordinantiën in de natuur.

Hier moet dan ook gehandeld van de wetten voor het psychisch gebeuren.

Want wel behoort de ziel zelf evenals de engelen tot de onzienlijke,

Sluiten