Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»

Voor het uitspreken van deze overtuiging en dit protest, en dat nog wel namens zijn geestverwanten, zijn wij dezen doctor dankbaar. Maar tegen de voorstelling, die hij zich gemaakt heeft van onze methode om Gods ordinantiën te vinden, moeten wij toch beslist opkomen. Het is volkomen juist, dat wij Gods ordeningen zoeken te kennen uit de Heilige Schrift. Maar het is even onjuist, dat wij ze óók niet zouden trachten te leeren uit de wereld zelve.

En daarmee doen wij niets „Neo"-Calvinistisch.

Immers onze Geloofsbelijdenis zegt in haar tweede hoofdstuk, dat handelt van: „door wat middel God van ons gekend wordt": „Wij kennen Hem door twee middelen. Ten eerste, door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld." — „Ten tweede, geeft Hij zich zeiven ons nog klaarder en volkomener te kennen door Zijn heilig en Goddelijk Woord."

Juist wij, Gereformeerden, hebben altijd nadruk gelegd op het bestaan eener algemeene en bijzondere Gods-openbaring.

Wij kunnen thans niet weer ingaan op het begrip ordinantie, doch de ordinantiën Gods zijn voor ons niet anders dan de ordineerende God zelf.

Alle kennis van de wereld is ten slotte de kennis van de haar beheerschende wetten, en deze wetten leert men kennen door waarneming èn denken. Maar dit denken wordt beheerscht door zekere beginselen. Ware er nu geen zonde, dan zou er op het stuk der beginselen geen verschil onder de menschen zijn; dan ware er geen bijzondere openbaring noodig geweest.

De Schrift toch is om de zonde.

Aan de Schrift ontleent het Christelijk denken zijn beginselen. Daarom ziet de Christen-denker de „vaste ordeningen" anders dan de denker die met het gezag der Schrift heeft gebroken.

Daarom kan, om dit met een enkel voorbeeld te verduidelijken, de „vrijzinnige" in de „Evolutie" een „vaste ordening", een „natuurwet" zien, terwijl hij, die zich gebonden weet aan de Schrift en mitsdien gelooft aan Creatie, de „Evolutie" juist verwerpt.

Wij zouden te ver vooruitgrijpen op wat eerst later in dit werk over 's Heeren ordinantiën zal worden behandeld, indien wij in bijzonderheden wilden aanwijzen, hoe met name het zoeken buiten de Schrift om, naar de vaste ordeningen op het gebied van zedelijk-goede, „uit kennis van het leven en het menschenhart", allesbehalve tot algemeen geldende en allen bevredigende vondsten heeft geleid. Over de vraag wat goed en slecht is, zijn,» wanneer men althans tot de verdere afleidingen komt — ja, over den maatstaf zelf van goed en slecht, ontleend aan wat voor den mensch de hoogste waarde moet hebben, — zijn de moderne denkers nog altijd verre van eenstemmig.

Naar onze innige overtuiging zijn de vaste ordeningen zoo voor de natuurlijke als voor de zedelijke wereld slechts te kennen door waarnemen van en nadenken over die tweeërlei wereld, wanneer dat nadenken wordt beheerscht door de beginselen van de Schrift. Maar even diep zijn wij er van doordrongen, dat ook zulk nadenken niet ontslaat van de moeite eener nauwkeurige waarneming zoo van de stoffelijke dingen

Sluiten