Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men den tastzin ook wel aangeduid als den zin der realiteit, der werkelijkheid. Het „tastbare" biedt ons zekerheid omtrent het bestaan, de werkelijkheid van hetgeen buiten ons ligt.

„Indien ik in Zijne handen niet zie het teekenen der nagelen, en mijnen vinger steke in het teeken der nagelen, en steke mijne hand in Zijne zijde, ik zal geenszins gelooven," zegt de ongeloovige Thomas op den avond van 's Heeren opstanding. — Men vergete echter niet, dat ook de werkelijkheid der „tastbare dingen" ten slotte op een „gelooven" berust, en dat mitsdien de zekerheid des geloofs, ook aan de „werkelijkheid" der stoffelijke dingen, in hoogeren zin zekerheid is dan die ons toekomt uit den tastzin.

Doch hierover later.

Is, zooals wij straks zagen, de gewaarwording van de beweging, de spanning onzer spieren, een der elementen van de tastgewaarwording, door de spiergewaarwording leert de mensch ook de andere zinnen hun richting geven, zoodat b. v. hooren tot luisteren, zien tot kijken wordt. En evenzoo is deze gewaarwording behulpzaam bij de vorming van het willen, wijl juist de spierbeweging, het gebruik onzer handen vooral, dienstbaar is aan het verwezenlijken van ons doel, aan de veranderingen die wij teweeg willen brengen in de stoffelijke wereld; aan het „maken" van kunstigen arbeid.

Behoort de tastzin tot de z.g. „mechanische" zinnen, omdat daarbij druk en stoot als zenuwprikkel werken, den reuk- en smaakzin rekent men tot de „chemische" zinnen, omdat de stoffen, die hier als zenuwprikkel werken, eerst uit hun toestand van vaste lichamen in die van vloeistoffen of gassen moeten overgaan.

In den neus, het orgaan van den reukzin, bevinden zich de uiteinden der reukzenuwen en aan deze weder spilvormige lichaampjes, die tot opneming der reukprikkels dienen en daarom „reukcellen" heeten. Het ruiken ontstaat door prikkeling dezer reukcellen, welke prikkeling door de gevoelszenuwen weer overgebracht wordt op de hersenen. De door inademing — de neus is daarvoor het aangewezen orgaan — toegevoerde fijnste stofdeeltjes, welke zich van sommige stoffen losmaken en in de lucht zweven, moeten eerst in de, daartoe steeds vochtige, slijmhuid van de neusholte worden opgelost en „vervluchtigd" tot gassen.

Hoe dit toegaat, kan men zich verduidelijken met een stuk kamfer. Legt men toch een stuk kamfer 4n een bak met water, dan zal het aan de oppervlakte blijven drijven en daarbij tevens het water al spoedig dervvijs terugdrijven, dat het in een groefje komt te liggen, en straks door de terugstooting van het water in een draaiende beweging komen. Daarbij lost het zich al meer op, kleine deeltjes maken zich van de oppervlakte los, en eindelijk is het stuk kamfer schijnbaar verdwenen, doordat het in gasvormigen toestand is overgegaan.

Hoe krachtiger de uitstrooming der kleine bestanddeeltjes in een reukstof is, des te sneller en verder verbreidt zij zich, wordt „vluchtig",

Sluiten