Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noch de wereld daarbuiten kent; waarin het kind het eerste van de laatste nog niet weet te onderscheiden.

Dit nu begint eerst, wanneer, door een eigenaardige werking der ziel, de gewaarwordingen waarover wij tot dusver hebben gesproken, tot waarnemingen worden.

Door een eigenaardige werking der ziel.

Want wel geldt ook hier, dat „door de gewoonheid de zinnen geoefend" worden, maar door herhaaldelijk smaken en tasten, hooren en zien, zonder meer, zouden uit de gewaarwordingen nog geen waarnemingen ontstaan. , • Gewaarwordingen en waarnemingen zijn, hoe verwant ook, niet

hetzelfde. , , . .. , , .

Bij de gewaarwording, al ontstaat zij ook en uit zenuwpnkkels en

uit zielswerking, is de ziel meer passief. Bij de waarneming treedt zij meer actief op.

Ook de taal drukt dit uit met haar gewaarwording en waarneming. Zij zijn nauw verwant.

Men kan zeggen: iedere waarneming is een gewaarwording, maar niet iedere gewaarwording is een waarneming.

Het verschil is dit.

Koude en warmte, hardheid en gladheid, smaak en geur, kleur en klank, zijn toestanden onzer ziel. Zij zijn in onze ziel en als zoodanig

gewaarwordingen. . .

Alleen voor zoover wij deze gewaarwordingen als het ware buiten onze ziel plaatsen, door ze hetzij in de verschillende deelen van ons lichaam, hetzij in de ons omringende buitenwereld te verleggen, worden

zij waarnemingen.

Dit buiten zich stellen of verleggen, als het ware een buiten zich werpen, noemt men met een vreemd woord „projecteeren , en men kan dus zeggen: de waarneming is een naar binten geprojecteerde

gewaarwording.

Wij zullen dit nader toelichten.

De ziel van het pasgeboren kind heeft wel gewaarwordingen, maar doet nog geen waarnemingen. Het krijgt allerlei indrukken, ma.ar weet niet, vanwaar ze hem toekomen. Het is in zijn wereld nog met thuis, en dat wordt het eerst langzaam. _

Het heeft aanvankelijk in den letterlijken zin slechts bevinding, net

in-zich-vinden van toestanden. _

Iedere gewaarwording is een toestand in de ziel. Doch deze toestanden zijn aanvankelijk nog niet onderscheiden. Honger en dorst, warmte en koude, geluid en licht heeft het kind nog met als afzonderlijke gewaarwordingen. Eerst langzaam gaat de ziel die gewaarwordingen onderscheiden, afzonderen, of zooals men met een vreemd

Sluiten