Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij, dit geschiedt altijd onwillekeurig. De wil, waarover later, oefent hierbij geen invloed.

Bij wat men noemt het geheugen, hebben wij slechts te doen met een werking der ziel, waardoor zij voorstellingen, die zij vroeger gehad heeft, als het ware bewaart en weer als zoodanig herkent.

Bij de herinnering, eindelijk, geschiedt het terugbrengen van vroegere voorstellingen niet onwillekeurig, maar bepaald onder den invloed van den wil; daarom hebben de dieren dan ook wel geheugen, maar geen herinnering. Bij geheugen zoowel als bij de herinnering is bovendien het eigenaardige, dat de voorstellingen onveranderd, „getrouw" worden teruggebracht.

Is nu verbeelden een werking der ziel, die met verbinden van voorstellingen, met geheugen en herinneren hierin overeenkomt, dat zij vroegere voorstellingen weer terugbrengt, en wel, zonder dat daarbij de zinnen werken — m. a. w. zonder dat het oog ziet, het oor hoort, de tong proeft, de neus ruikt, de hand tast — zij verschilt hierin van het „verbinden" der voorstellingen, dat zij niet onwillekeurig, maar, althans wanneer wij in wakenden toestand zijn, onder invloed van den wil tot stand komt, en evenzoo van geheugen en herinnering, dat zij de vroegere voorstellingen juist niet onveranderd, maar veranderd terugbrengt.

Dit laatste ligt dan ook in ons woord „verbeelden", een omvormen, een veranderen van de zielebeelden.

Men zou de verbeelding dus kunnen omschrijven als die werking der ziel, waardoor zij de voorstellingen veranderd terugbrengt.

Wat bij het geheugen en de herinnering een fout is, dat is dan ook juist bij de verbeelding een deugd. De voorstellingen moeten hier niet worden teruggebracht, weer voortgebracht of, zooals men met een vreemd woord zegt, „gereproduceerd", zooals zij oorspronkelijk waren, doch anders, en wel zóó, dat er iets nieuws ontstaat, waarom dan ook het eigenaardige der verbeelding is: de nieuwheid.

In het voorbijgaan zij nog opgemerkt, dat, wanneer wij hier A an „zielebeelden" spreken, daarmee allerminst is bedoeld, dat er „beelden" van wat vroeger door middel van de oogen of de andere zinnen is waargenomen, zouden achterblijven in de ziel, om dan later te worden teruggebracht — iets wat in het vorige hoofdstuk juist met nadruk is weerlegd — maar dat wij met „beelden" hier niet anders bedoelen dan voorstellingen; m. a. w. dat de ziel weer voor zich stelt, en nu zonder behulp van de zinnen, wat zij vroeger met behulp van de zinnen voor zich stelde, en dit bij de „verbeelding" dan juist veranderd. Dat vroeger met behulp van het oog des lichaams geziene wordt, zooals ook in het woord phantasie ligt, weer zichtbaar, weer helder schijnend, maar nu, als men zoo wil, alleen voor het „oog der ziel". Het wordt weer tot een bepaalden inhoud van het bewustzijn, doch bij de verbeelding altijd „anders", veranderd, nieuw.

Sluiten