Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werken. Maar, al spreken wij dus niet van een „gevoelsvermogen", toch dient ook dit passieve in het zieleleven, heel die wereld van „aandoeningen" en wat er mee saamhangt, wijl ook dit alles gebeurt naar vaste ordeningen, naar natuur-ordinantiën, welke God er voor gesteld heeft, nader door ons te worden bezien.

Het is dan ook ons voornemen, wanneer in het volgend hoofdstuk ons onderzoek naar 's Heeren ordinantiën voor het kenvermogen zal zijn ten einde gebracht, alvorens die voor het wilsvcrmogen te onderzoeken, eenige hoofdstukken te wijden aan de natuurwetten voor onze „zielsaandoeningen".

Indien men het kennen in verband brengt met het hoofd, het willen en daaruit opkomend handelen met de hand, en de „aandoeningen" met het hart, dan verstaat ieder, dat, waar God voor hoofd, hand en hart Zijn ordinantiën gaf, die voor het laatste niet minder recht op onze belangstelling hebben, dan die voor hoofd en hand.

Vooral verstaan wij, Gereformeerden, dit, voor wie het zieleleven, bij alle erkenning van de hooge beteekenis van het denken, toch evenmin opgaat in denken als in willen, maar die bij de eenheid van het leven, zooals het in hoofd, hart en hand zich uit, zelfs bij de „waarachtige bekeering", aan leed en haat, vreugd en liefde een plaats toekennen. (Vgl. H. C. Zondag 33.)

Spraken wij zooeven van natuurwetten of natuur-ordinantiën voor het zieleleven, het was om daarmee te doen uitkomen, dat wij ons ook hier bij de psychologische of zielkundige verschijnselen nog geheel bevinden op het gebied der natuur, zij het ook der stoffelijkgeestelijke.

Niet over wat moet zijn, maar over wat is; niet over wat gij zult willen, maar over wat, van uw willen en handelen geheel onaf hankelijk, onder bepaalde omstandigheden altijd en overal gebeurt, omdat God het zoo heeft ingezet, — gaat het hier.

M. a. w. nog niet aan 's Heeren ordinantiën in den zin van wat men ook wel noemt de zedelijke wereldorde, die 'n mensch kan overtreden, al worden zij ook door God gehandhaafd, maar nog altijd aan de natuurlijke wereldorde zijn we hier, bij de vaste ordeningen voor het zieleleven, toe.

En als zoodanig hebben wij dan ook getracht, in de vorige vijf hoofdstukken 's Heeren ordinantiën voor het kenvermogen te doen verstaan.

Om nu wat in de laatste hoofdstukken over de vaste ordeningen voor het kenvermogen zal worden besproken, des te beter te doen verstaan, zullen wij hier eerst een kort overzicht van het tot dusver behandelde laten voorafgaan.

Wij gingen uit van het wèl geconstateerde feit, dat de wisselwerking tusschen lichaam en ziel, hoe weinig wij daarvan op zich zelf ook nog weten, ook voor wat de psychische verschijnselen in enger zin betreft,

Sluiten