Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met „hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des menschen niet is opgeklommen", doch die „God ons heeft geopenbaard" (i Corinthe 2 : 9, 10).

Bij de intuïtie of geestelijke aanschouwing is het, dat wij plotseling, zonder te „redeneeren", tot inzicht van de dingen komen; ze in hun wezen of wat zij zijn, leeren verstaan en doorzien. Tot zulk een verstand der diggen komen wij dan op geestelijk gebied, wanneer b. v. als opeens onze oogen opengaan voor onze zonden, maar ook nu en dan op natuurlijk gebied, wanneer gij als opeens zonder redeneeren een persoon of een zaak doorziet.

Bij de redeneering eindelijk komen wij tot verstand der dingen langs den vaak moeilijken weg van het vormen van begrippen, het verbinden dier begrippen tot oordeelen, het trekken uit die oordeelen van besluiten.

Zooveel is althans duidelijk, dat het „redeneeren" dus volstrekt niet de eenige weg is, om tot dien hoogeren graad van kennis te komen, welke wij aanduiden als het „verstaan" der dingen, of er „verstand van hebben".

Bij een eenvoudig" kind ctes Heeren kan Vcicik de kracht om te „redeneeren" zeer gering zijn, en toch kan hij daarbij veel „verstand hebben" van zijn bedrijf en ook uitnemend veel verstand van den

weg der zaligheid.

En omgekeerd kan het voorkomen, dat iemand uitnemend kan „redeneeren", d. i. met groote scherpzinnigheid heldere en klare begrippen vormen, die onverbeterlijk tot juiste oordeelen verbinden, en daaruit weer besluiten trekken waartegen niets valt in te brengen, en toch in het gewone leven een zeer onpractisch mensch is, of ook \ an de geestelijke dingen geen verstand heeft, zoodat hij ook daarin \ erre achterstaat bij een eenvoudigen geloovige. n

Nu is dit laatste allerminst gezegd, om van dat „redeneeren een slechten dunk te geven; er de eenvoudigen onder Gods volk laag op te doen neerzien. Want men vergete aan de eene zijde niet, dat het feit, dat velen onder de geloovigen en ongeloovigen vaak zoo bitter slecht redeneeren, een gevolg is van de sonde, die ook ons denkvermogen heeft aangetast, en dat alle geschiktheid om juist en scherp te redeneeren, vrucht is van die gemeene Gratie, welke ook hier stuitend werkt. Maar ook vergete men aan de andere^ zijde niet, dat wat men gewoonlijk „wetenschap noemt, zoo al niet geheel, dan toch voor een zeer groot deel, juist vrucht is van dit redeneeren.

Dit redeneeren is toch niet anders, dan wat wij in het vorige hoofdstuk leerden kennen als het discursieve denken; d. w. z. het denken dat zich tusschen begrippen, oordeelen en besluiten als het ware heen en weer beweegt, en daarom juist staat tegenover het intuïtieve denken.

En dus, discursief, denken wij ook gewoonlijk; meestal zonder dat wij er ons bewust van zijn, dat wij zoo denken.

Onder de oude Grieken was Socrates de eerste, die er zijn tijd— genooten toe bracht, toch vooral eerst na te denken, als ze over

Sluiten