Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„diepen slaap", waarin toch de hersenwerking tijdelijk onderbroken is, ook het bewustzijn weg is. Als wij vast slapen, hebben wij nergens „weet" van. Toch gaan dan de andere levensverrichtingen, b.v. ademhaling, bloedsomloop en spijsvertering, waarvan de ziel de grond is, wel degelijk door, m. a. w. het „onbewuste" zieleleven gaat voort.

Nu wordt, met name in de Schrift, van het hart niet slechts als orgaan of werktuig des lichaams, maar ook als orgaan der ziel gesproken, en dat wel op een wijze, die verbiedt hier aan een bloot zinnebeeldige uitdrukking te denken.

Volgens de Schrift, en voegen wij er dadelijk aan toe, ook voor heel de Oudheid, die buiten de bijzondere Openbaring stond, is het hart in den eigenlijken zin van het woord ook een zielsorgaan.

Veel meer zelfs dan het hoofd.

Wij menschen van den nieuweren tijd hechten gewoonlijk, door wat waarneming en denken hebben doen vinden omtrent hersenen en zenuwen, voor het leven der ziel in verbinding met haar lichaam, veel meer beteekenis aan het hoofd dan aan het hart.

Is nu al wat de tegenwoordige mensch van hersenen en zenuwen weet, een niet te versmaden vondst, die zijn God hem heeft doen ontdekken, en waar b. v. een zoo nauwkeurig waarnemer en scherpzinnig denker als Aristoteles — voor wien de hersenen niet veel meer waren dan een „afkoelingsapparaat voor het bloed" — nog vreemd voor stond, toch moet ook rekening gehouden met wat althans de Schrift leert omtrent de beteekenis van het hart voor het zieleleven.

Wat de Oudheid daaromtrent leerde, kan, hoe belangrijk ook, hier blijven rusten. Toch mag er wel eens de nadruk op gelegd, dat zij de waarheid wellicht meer nabij kwam dan de nieuwere tijd, die een neiging openbaart om heel het zieleleven tot het hoofd te beperken en in de hersenen het eenig en uitsluitend orgaan, ja, gelijk sommigen deden, het wezen der ziel te zien. Ons dagelijksch spraakgebruik gaat hier dan ook nog altijd vlak tegen in en beperkt het zieleleven niet tot het hoofd, maar geeft daarin ook een plaats aan het hart.

„Voor hoofd en hart" is een zeer gewone en volstrekt niet oneigenlijke uitdrukking.

Wij zullen ons in dit hoofdstuk bepalen tot een onderzoek naar wat de Schrift leert omtrent het hart als werktuig der ziel, inzonderheid voor wat het „kennen" en het „gevoel" met de „gemoedsbewegingen" betreft.

Vóór alles is merkwaardig, en voor sommige onzer lezers zal dit zelfs verrassend zijn, dat de Schrift heel die actie der ziel, welke wij saamvatten onder „kennen", bijkans altijd toeschrijft niet aan het hoofd, maar aan het hart.

Wij zullen dit uit enkele Schriftuurplaatsen aanwijzen. In Deuteronomium 29 : 4 is sprake van: een hart om te verstaan. Het hart

Sluiten