Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEZAG. — HET GEBOD EN ZIJN BELOFTE.

er dus mede onder verstaan. Als met een enkelen toets wordt er een o-ansch gebied van het zedelijk leven mee aangeduid.

Zoo ook hier bij het vijfde gebod.

Er wordt in dit gebod genoemd het ontzag voor de ouderlijke macht; voor het gezag van vader en moeder.

Maar die het geestelijk verstaat, ziet, dat hier veel meer inzit, en dat de volle, rijke gedachte Gods eerst gevat is, wanneer gij het neemt van het ontzag voor de macht of het gezag, dat in het algemeen door tnenschen over menschen wordt uitgeoefend.

Ontzag voor het gezag: voor het ouderlijk gezag; voor het gezag van den man over zijn vrouw; voor het gezag, dat in de maatschappij, in haar verschillende kringen, wordt geoefend; voor het gezag, dat de Overheid over haar onderdanen heeft; voor het gezag, dat Christus' dienaren in Zijn Kerk oefenen.

Altijd en overal ontzag voor het gezag.

Dat is de Goddelijke ordinantie. Dat is de wil des Heeren.

Gij zult ontzag hebben voor het gezag; eeren, die over u gesteld zijn.

Zoo eerst vat gij de vérstrekkende beteekenis van dit vijfde gebod.

En wijl nu echt menschelijk saamleven in den letterlijken zin berust op gezag en zijn eerbiediging; of, om het met een paar vreemde woorden te zeggen, op „autoriteit" en „piëteit", verstaat gij, dat wij in dit gebod te doen hebben met een zedelijken grondslag der saam-

leving.

Een zedelijken grondslag.

Want wel is er een saamleven van menschen denkbaar zonder gezag, maar dat is dan een saamleven als van kuddedieren, straks zich zelf verterend in een strijd van allen tegen allen, waarbij ten slotte de sterksten het overleven.

Zonder gezag, zonder ontzag voor het gezag, doet ieder, wat ,roed is in zijne oogen; is de harmonie, de overeenstemming van de deelen onder elkander, van de leden in het ééne lichaam, weg; is er de ontbinding, het uit elkaar vallen.

Maar zoo ook vat ge, waarop wij reeds vroeger wezen, dat het niet maar toevallig kan zijn, dat het vierde en vijfde gebod, doordat zij .xeboden zijn, terwijl al de andere verboden zijn, in den vorm overeenkomen ; dat het niet maar toevallig is, dat zij in Leviticus 19:3: „Een ieder zal zijne moeder en zijnen vader vreezen en Mijne Sabbaten houden" — bij elkaar worden genoemd; en eindelijk ook, dat hun plaats in den decaloog niet maar toevallig is.

Tusschen deze twee geboden toch bestaat een innig verband.

Gaan de eerste drie bepaaldelijk over wat uw verhouding tot God raakt, en wel over: religie, eeredienst en revelatie of openbaring, — zoodat deze een uitsluitend religieus of godsdienstig karakter dragen; gaat het zesde over het leven van uw naaste, het zevende over den

Sluiten