Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

zaamheid aan Gods geboden; hen te doen verstaan, dat God zelf ze door hunne hand regeert, en mitsdien ongehoorzaamheid aan hen, zonde tegen God is.

Daarom moet het ouderlijk gezag niet slechts een leidend, maar ook een dwingend karakter dragen en zich zoo noodig handhaven door tuchtoefening.

Kan al de religie des harten door menschelijk, zelfs ouderlijk gezag niet worden opgelegd, evenmin als het doen van Gods wil uit die heilige liefde, welke een vrucht des geloofs is, — het zondigen in woord en daad kan althans door het ouderlijk gezag worden tegengegaan.

Het gij zult niet! kan worden afgedwongen.

Afgedwongen ook door tuchtoefening.

Een tuchtoefening, die bij jonge kinderen, bij knapen en meisjes óók door toevoeging van lichamelijk leed, bij jongelingen en jongedochters alleen door toevoeging van zedelijke smart, door dreigend vermaan, scherpe berisping en onthouding van genot mag geoefend. De roede der tucht in den letterlijken zin — nooit in drift te gebruiken — moet zeker, wanneer het sensitieve leven van het kind het geestelijke nog overheerscht, worden gebruikt, maar voegt niet meer, wanneer, in den jongelingstijd, het zedelijk bewustzijn is ontwikkeld. Te recht zegt de Spreukendichter: „Die zijne roede inhoudt, haat zijnen zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging." (h. 13: 24).

Het is dit oefenen van het ouderlijk gezag, dat aan het kind, onder Gods zegen, die vastheid van wil kan schenken, waardoor het leert zijn booze luimen en verkeerde neigingen, zijn eigen zin en trots. ?ijn overmoed en traagheid, zijn toorn en nijd voortdurend te beheerschen. Zeker, zoolang het dit alles niet wil om Gods wil, maar slechts uit ontzag voor het gezag zijner ouders, — bezit het nog niet de echte zedelijkheid. Maar reeds het zich gebonden weten aan de wet van anderen, in dit geval van zijn ouders, kan een middel zijn om hem straks tot een zich gebonden weten aan de Wet van God te brengen. De heteronomie kan een middel zijn om te leiden tot de Theonomie. Vastheid van wil tegenover de wisselingen van het zieleleven, is reeds een kracht, beter dan lichaamssterkte.

De lankmoedige is beter dan de sterke, en die heerscht over zijnen geest, dan die eene stad inneemt. (Spr. 16 : 32.)

En deze vastheid van wil, zoo noodig in het leven, is een vrucht van gehoorzamen aan het gezag.

Liefde moge al het gemoed verteederen, oefening in gehoorzamen, desnoods met dwang gepaard, kan alleen den wil stalen.

Waar de wet is verslapt, wordt de genade vertrapt.

Zeker is de verteedering van het gemoed ook een eisch van zedelijke opvoeding; maar naast de verrijking in kennis van het verstand, is de sterking van den wil geen minderwaardige eisch.

Sluiten