Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEZAG. — HET GEZAG DER HEEREN EN VROUWEN.

de veelvormigheid, op hare beurt weer ontstaan uit wat wij zouden willen noemen de verbijzondering van het algemeene.

Daarmee bedoelen wij, in verband met ons onderwerp, dit.

In ieder onzer is hetzelfde wat ook in alle anderen is; wat ons als menschen onderscheidt van andere levende wezens, maar wat ons als mcnschen gemeen is en wat samenhangt met de schepping van den mensch naar Gods beeld.

Ziet men op dit in alle menschen hetzelfde of identische; op dit aan alle menschen gemeene; dan zijn daarin alle menschen gelijk.

Dit te ontkennen is dwaasheid.

Toch heeft het eeuwen geduurd, eer de menschheid, althans voor een groot deel, van deze dwaasheid terug is gekomen. Voor een groot deel, want velen, die nóg in 'n mensch den mensch niet zien, maken zich aan deze dwaasheid schuldig.

En hoewel niet mag voorbijgezien, dat er onder de antieke denkers zijn geweest, die van deze dwaasheid teruggekomen waren, mag men toch zeggen, dat het weer zien van den mensch in 'n mensch, in ieder mensch, niet aan het paganisme, maar aan het Christendom te danken is.

Maar dit algemeen menschelijke nu verbijzondert zich in ieder mensch.

In ieder mensch is iets bijzonders, iets wat hem van alle andere menschen onderscheidt. Mensch gelijk anderen, is hij het op geheel andere wijze dan alle anderen. Zijn menschelijk lichaam, en dit komt vooral uit bij het gelaat, is anders dan van alle anderen, en hetzelfde geldt ook van zijn menschelijke ziel.

Ziet men op dit in alle menschen bijzondere, op dit in ieder mensch individueele, dan zijn daarin alle menschen ongelijk.

Ook dit te ontkennen, is dwaasheid.

Toch wordt deze dwaasheid, sedert de Fransche revolutie, door a'len, die haar leuze van „gelijkheid" gedachteloos naspreken, nu sedert meer dan een eeuw begaan.

„Alle menschen zijn gelijk", heet het dan zoo zonder meer.

Alsof niet, wie in het eene opzicht gelijk is, in het andere verschilt.

Alsof niet twee menschen, die, wat hun lichaamskracht betreft, gelijk zijn, in verstandelijke ontwikkeling kunnen verschillen.

Zeker, mits nader bepaald, kan het „alle menschen zijn gelijk" een zin hebben. Gelijk ten opzichte van het mensch-zijn; gelijk ten opzichte van de wet; en ook al is het niet waar, dat alle menschen dezelfde rechten en plichten hebben, toch zijn zij allen gelijk ten opzichte van het recht en den plicht.

Maar evenzoo als er, en dat niet om de zonde, maar naar Gods scheppingsordinantie, reeds in het gezin ongelijkheid is tusschen de menschen, omdat krachtens het gezag van rechtswege de man de meerdere is van zijn vrouw, de ouders de meerderen zijn van hun kinderen; zoo is er ook, en dat niet om de zonde, maar naar Gods scheppingsordinantie, in heel het menschelijk saamleven ongelijkheid tusschen de menschen in aanleg, talent en ontwikkeling.

Sluiten