Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

missen öf slechts in mindere mate bezitten. Daar zijn toch, zoo onder bakkers en slagers, timmerlieden en metselaars, kleeren- en schoenmakers; als onder onderwijzers in de verschillende wetenschappen, kunstenaars op de verschillende gebieden der kunst; en evenzoo onder de geneesheeren en chirurgen, de militairen en politiemannen, — menschen van meerdere of mindere bekwaamheid in hun vak. En wijl men, om iets te kunnen, het eerst moet hebben geleerd, zijn er ook onder de menschen, die nog voor geenerlei beroep eenige bekwaamheid bezitten, het vak nog leeren moeten, nog in de leerjaren zijn. Menschen alzoo, die in meerdere of ook mindere mate het vak meester zijn, en dan tegenover deze meesters de leerlingen.

Vraagt men nu, wat over deze meerdere of mindere bekwaamheid beslist; waarin het in meerdere of mindere mate beantwoorden bestaat aan die vereischten, welke, om in zijn vak iets naar behooren te verrichten, noodig zijn, dan is dit zeker naast het inzicht ook de door oefening verkregen vaardigheid.

Wie zich in eenig vak niet practisch geoefend heeft, diens handen staan verkeerd voor het maatschappelijk bedrijf.

Van dit laatste zou b.v. menige jongen, die het eindexamen zelfs van een vijfjarige hoogere burgerschool gedaan heeft en dan als bediende op een handelskantoor komt, en ook menig jong predikant, die als student de dwaasheid beging van de „practische vakken" te verwaarloozen, treurige ervaringen kunnen mededeelen. Toch is het daarom nog niet waar, dat alleen oefening den meester maakt. Bij de vaardigheid door oefening verkregen, moet ook de kundigheid komen, de theoretische kennis. En deze kennis is geen „veelweterijw, maar juist het zoo straks genoemde inzicht in de middelen om het doel, de vervulling van de beroepstaak, te bereiken; het inzicht in den weg. dien men bij zijn maken of handelen te volgen heeft om tot het leveren van goed werk te komen.

Eerst wie kundigheid aan vaardigheid paart, is bekwaam. En ook in verband met het straks aangehaalde Schriftwoord: „Zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem", — geldt hier dat andere Schriftwoord: „onze bekwaamheid is uit God." (2 Corinthe 3: 5.)

Deze bekwaamheid nu verleent onmiskenbaar aan hen, die haar bezitten, gezag, en wel des te grooter gezag, naarmate die bekwaamheid meerder is; het gezag van den bekwamen vakman.

Menschen van hetzelfde vak zullen bij hen, die daarin óf in het geheel of in sommige stukken, naar hun oordeel, bekwamer zijn dan zij zelf, indien zij althans niet door valsche schaamte weerhouden worden, om raad en voorlichting vragen en zich door den bekwameren vakgenoot laten gezeggen, op diens gezag handelen. En deze zal dan. indien hij althans niet weerhouden wordt door concurrentie-vrees of kleinzieligheid, als van 'n oude keukenmeid, die het recept van haar lekkere schotels liever niet geeft, en, zoo ze het al doet, er sommige ingrediënten in verdonkeremaant en de hoeveelheden der overige ver-

Sluiten