Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

VIII.

HET SOCIALE GEZAG.

( Vervolg.)

Elkander onderdanig zijnde in de vreeze Gods.

Efeze 5:21.

Wij zagen in het vorige hoofdstuk, dat bij het aan één taak saamwerken der menschen in de verschillende betrekkingen van den drieërlei kring of stand van het maatschappelijk leven, het gezag de individueele willen als tot één wil moet maken en houden.

Thans hebben wij in dit en het volgende hoofdstuk na te gaan, hoe het sociaal gezag, zoo naar die kringen of standen zelf, als naar de verschillende relaties of betrekkingen in die kringen of standen, zich weer nader verbijzondert, m. a. w. een eigenaardig karakter aanneemt, en alzoo door hen, die er mee zijn bekleed, ook op onderscheidene wijze moet uitgeoefend.

Hoe, om iets te noemen en daardoor wat wij hier bedoelen te verduidelijken, de plicht om gezag uit te oefenen op een andere wijze moet vervuld in den stand, die tot taak heeft te voorzien in de stoffelijke behoeften der maatschappij, dan in den stand welke voorziet in hare geestelijke behoeften, en in dezen weer anders dan in dien stand, welks taak het is, de maatschappij te bewaken voor de gevaren, die haar bedreigen van de zijde der natuur of der menschen. Maar, en dit nu bedoelen wij in de tweede plaats, gelijk de veelvormigheid van het maatschappelijk leven op steeds rijker verbijzondering, steeds fijner verscheidenheid of, wilt ge het vreemde woord, differentieering wijst, zoo ook de vervulling van den zedelijken plicht om in dat leven gezag uit te oefenen.

Immers ook in verschillende relaties of betrekkingen van een zelfden maatschappelijken stand, binnen een zelfden socialen kring, is in de wijze waarop het gezag moet uitgeoefend, nog weer verschil. Anders toch moet dit geschieden door den patroon over zijn arbeider, dan door den koopman over zijn bedienden ; anders door den schoolmeester over zijn schoolkinderen, dan door een predikant over zijn catechisanten; en weer anders d.oor een brandspuitmeester over zijn spuitgasten, dan door een bosch wacht er over zijn helpers.

Dan, zal het sociaal of maatschappelijk gezag het doel, waartoe het aan den eenen mensch over den anderen is verleend, bereiken, zoo moet, gelijk bij alle gezagsverhouding onder de menschen, ook aan dit gezag bij hen, die er onder gesteld zijn, beantwoorden wat de Schrift noemt de onderdanigheid.

Het is van deze onderdanigheid, dat ook gesproken wordt in het

Sluiten