Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEZAG. — HET SOCIALE GEZAG.

malle japonnen van ouden snit, japonnen met daarbij behoorende denkbeelden, die tegenwoordig alleen nog maar gedragen worden in komediestukken uit de oude doos.

Doch over dit gemis aan onderdanigheid wordt door een verstandig man, om meer dan één reden, liefst gezwegen.

Over gemis aan onderdanigheid bij den knecht wordt in het maatschappelijk leven, met name in dat van beroep en bedrijf, al even sterk geklaagd door zijn heer, als in het gezinsleven over kinderen en dienstboden.

Dat de kinderen en de meiden en de werklieden tegenwoordig „niet meer te regeeren zijn", — deze zoo dikwijls onder voorhoofdfronsen en hoofdschudden geslaakte klacht is toch niet anders dan een variatie op het thema, dat de onderdanigheid bij hen zoek is.

Hoeveel overdrijving hier nu ook in steekt; hoeveel van de schuld op de regeerders zelf komt — er is ook in het huiselijk en maatschappelijk leven een „regeerkunst", die wel druk beoefend, maar daarom nog niet altijd verstaan wordt, — toch is het metterdaad waar, dat de deugd der onderdanigheid in onze hedendaagsche samenleving geen artikel is, waarvan de vraag door het aanbod wordt overtroffen.

Op zich zelf is dit nu zoo heel verwonderlijk niet.

Eigen wil te schikken onder den wil van een ander, en dan nog wel zoo, dat dit een hebbelijkheid of een deugd wordt, gaat zoo vlak in tegen de menschelijke natuur.

Van nature zijn wij, menschen, niet onderdanig.

Tot de „natuurlijke deugden", waarvan Aristoteles spreekt en die door hem in de Ethika of Zedeleer zijn geraakt, was hij menschenkenner genoeg om niet de onderdanigheid te rekenen. Noemden wij zooeven de onderdanigheid een zeldzaam artikel, wij dachten daarbij aan de echte, onvervalschte; want zeker, aan de contrcfafon, aan de namaak, ontbreekt het niet op de markt des levens. Het geldt waarlijk niet alleen van een bepaalde natie, dat zij liegen wanneer zij beleefd, wanneer zij onderdanig worden. De onderdanigheid van het grootste deel der menschen is een leugen, een noodleugen, volgehouden zoolang als zij noodig is. Toen de Buddha, de stichter van het bij velen, die, zonder er nu juist al te diep in te zijn doorgedrongen, maar omdat zij hun Christelijk geloof hadden verloren, toch ook 'n religie moesten hebben, zoo hooggeroemde Buddhisme — de kenners spreken er minder enthusiast over, — toen dan de Buddha gestorven was, bedreven die leden zijner gemeente of congregatie, welke nog voor aandoeningen vatbaar waren, rouw. Te dier stonde ging een oude monnik, Subhadra geheeten, in de vergadering zitten en sprak tot de monniken: „Treurt niet! Wij zijn van den Grooten Monnik mooi verlost. Wij waren bedrukt, daar wij altoos moesten hooren: „Dit voegt u of dit voegt u niet." Maar nu zullen wij doen wat wij willen, en wat wij niet willen, zullen wij niet doen."

En wel zijn er slaafsche naturen, maar die zijn dan ook, óf als door

Sluiten