Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEK EN ORDINANTIËN.

Toch zijn het behoeften van het algemeen en belangen ten algemecnen beste.

Daarbij komt nog iets.

Reeds waar twee menschen naast elkander leven, bestaat er een grens, die beiden moeten eerbiedigen; een grens voor hun beider willen en handelen. Zij kunnen dan, zal het vredig saamleven blijven, tegenover elkander niet naar lust en believen alles willen en doen, maar zijn gebonden aan zekere normen.

Richtsnoer voor hun willen en handelen is daarbij niet hun willekeur, maar de wil van God. Van God, die krachtens Zijn souverein scheppingsrecht den mensch voor zijn willen en handelen ook in betrekking tot zijn medemensch Zijn Wet stelt; aan den mensch rechten verleent en plichten oplegt tegenover zijn medemensch; rechten, die hij heeft te eerbiedigen, en plichten, die hij heeft te vervullen, waarin hij ieder het zijne heeft te geven.

Wat nu dus reeds geldt van twee menschen, die naast elkander leven, geldt uiteraard ook, waar twee of meer gezinnen maatschappelijk saamleven.

De verschillende relaties of verhoudingen, die zoo ontstaan, eischen dan een regeling van rechten en plichten, die, zeker in Gods wil van eeuwigheid gegrond en bepaald, nader onder menschen moeten vastgesteld.

Het moge voor een enkel gezin al mittig en aangenaam zijn, indien het tijdelijk, zonder eerbiediging van de rechten van andere gezinnen, in zijn stoffelijke behoeften voorziet, het welzijn van de gezinnen in het algemeen, en op den duur ook van ieder gezin, heeft hier geen voordeel, maar schade door.

Nu is er zeker in den mensch een natuurlijk, hem door God ingeschapen, rechtsbesef en weten de menschen, zijn zij zich bewust, dat zij elkanders rechten moeten eerbiedigen en tegenover elkander plichten hebben te vervullen. Het recht is eerder dan de Staat, en dus niet eerst ontstaan mèt den Staat.

Dan, gelijk er, afgedacht nog van de zonde, reeds in het gezin een gezag is, waarvan de ouders, en in enger zin de vader de drager is, waarmee God den mensch bekleedt, en waaraan alle leden hebben te gehoorzamen, opdat de individueele willen tot één wil worden en blijven, die zich richt op het doel van het gezin, het welzijn zijner leden, — zoo ook moet in iedere maatschappij een gezag zijn, dat al de gezinnen op één doel zich doet richten: het gemeene welzijn der maatschappij; een gezag, dat alle willen richt niet slechts op het welzijn en de belangen van het eigen gezin, maar op die van allen; niet slechts op de eerbiediging van eigen recht, maar op die van aller recht.

Eerst waar zulk een gezag werkt, heeft de maatschappij haar vastheid, haar bestand, is zij als Staat georganiseerd.

Sluiten