Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEZAG. — HET POLITIEKE GEZAG.

de anderen deden. En om te verhinderen, dat deze overeenkomst weer zou worden gebroken, werd daarna de macht en de vrijheid van allen overgedragen op één, aan wien allen zich onderwierpen. Deze ééne is de volstrekte alleenheerscher of absolute monarch. Hij, de koning, is de ziel van het staatslichaam, welks ledematen de beambten, welks zenuwen loon en straf, welks rede wet en billijkheid zijn.

In tegenstelling met Hobbes denkt Rousseau zich den natuurtoestand der menschheid aanlokkend en vriendelijk. Niet in den natuurtoestand, maar juist bij het politiek saamleven, en in het algemeen in den toestand der cultuur of der beschaving, heerscht „de strijd van allen tegen allen".

Toen er nog geen cultuur was, leefden de natuurmenschen, aan geen gezag onderworpen, met hun eenvoudige, spoedig te bevredigen levensbehoeften, als onschuldige, zorgelooze kinderen. Als Robinson op zijn eiland, stonden zij toen als geïsoleerde individuen, zonder eenig verband, naast elkaar. Maar als zij zich fijnere en hoogere behoeften gingen scheppen, moesten zij wel, om deze te bevredigen, maatschappelijk of sociaal gaan saamleven.

Daarbij ontstond de verdeeling van arbeid en met haar de ongelijkheid der menschen, de oorsprong van alle kwaad. Tot dit maatschappelijk saamleven kwam het door middel van een stilzwijgend verdrag, en dit sociaal contract of contrat social riep den Staat in het leven. De individueele willen werden toen tot een algemeenen of „generalen wil" — volonté générale.

Vereenigd tot een volk, had nu de eenling de absolute macht of souvereiniteit, die hij tot dusver over zich zelf had bezeten, overgedragen op het volk als geheel.

Berust alzoo, in het stelsel van Rousseau, het hoogste gezag of de souvereiniteit, krachtens het „contrat social , bij het volk, en is het juist deze volkssouvereiniteit, die aan den Staat zijn onveranderlijken vorm geeft; de vorm waarop het souvereine volk door middel van een Overheid regeert, kan veranderen en wisselen, kan een monarchie of een republiek zijn. Aan Rousseau zelf komt het meest gewenscht voor een „regeering van de besten" of een uit en door het volk gekozen aristocratie; echter altijd zoo, dat het volk nooit zijn souvereiniteit overdraagt aan de regeering of de Overheid.

Het volk is zijn eigen wetgever. Het heeft en houdt onveranderlijk de wetgevende macht, en saamgekomen in zijn vergaderingen, geeft het, krachtens die macht, dan de wetten. De Overheid, de regeering, heeft geen andere macht dan om, als de dienaresse van het souvereine volk, deze in de volksvergadering gegeven wetten uit te voeren. Als wetgevende macht staat het souvereine volk tot de Overheid als uitvoerende macht, gelijk het hart staat tot de hersenen. Het souvereine volk beveelt; de Overheid voert die bevelen uit; de staatsburger gehoorzaamt.

Als in het voorbijgaan zij er hier nog op gewezen, dat Rousseau,

Sluiten