Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET ZESDE GEBOD. HET MENSCHELIJK LEVEN.

I.

DE GROND VAN HET GEBOD.

Gij zult niet doodslaan.

Exodus 20 ■ 13.

Het zesde gebod luidt naar Exodus 20: 13 en evenzoo naar Deuteronomium 5 : 17: Gij zult niet doodslaan.

Ook dit gebod richt zich, gelijk al de andere geboden van den decaloog, allereerst tot den Israëlietischen man.

Hem wordt daarin verboden te dooden.

Wijl dit en de drie volgende geboden op de verhouding van mensch tot mensch zien, wordt hem hier bepaaldelijk verboden het dooden van een mensch.

En verder, wijl bij dit gebod geen object, geen voorwerp staat, zoo wordt den Israëliet hier zoowel verboden zich zelftis andere menschen te dooden.

Dit gebod nu, om noch zich zelf noch zijn naaste te dooden, is niet maar specifiek-Israëlietisch, doch algemeen-menschelijk.

God verbiedt den mensch, zich zelf of zijn evenmensch te dooden.

Gij zult niet dooden.

Wijl ook dit zesde gebod een „zedewet" is en zich alzoo tot den persoon des menschen richt: gij zult niet dooden; hem zulk een wijze van willen en daaruit opkomend handelen verbiedt, dat daarmee bedoeld wordt het dooden van zich zelf of zijn naaste, hebben wij hier bepaaldelijk te denken aan het opzettelijk dooden.

Eerst een veel latere tijd, de 16de eeuw na Chr., heeft onderscheid gemaakt tusschen doodslag en moord, en wel zoo, dat doodslag een opzettelijk dooden zonder en moord een opzettelijk dooden met „voor-

Sluiten