Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MENSCHELIJK LEVEN. — HET ACHTEN, BEWAREN ENZ.

te bereiden, is — wat kostelijke en onontbeerlijke natuurgave ook het ■water zij — een middel tot verhooging van het levensgenot.

Nu staat wel het zedelijke of gewilde handelen hooger dan het instinctieve, maar het laatste is veiliger en daarom minder gevaarlijk.

Ook bij het eten en drinken komt dit uit.

Het dier kent zijn maat en onthoudt zich van wat hem schaadt.

Anders is dit vaak bij den mensch.

Daarom is het zelfplicht voor den mensch, om niet slechts zijn spijzen en dranken nauwkeurig te kiezen, maar ook in het gebruik daarvan matig te zijn. Wat de dranken betreft, vergete men niet, dat het lichaam ook het eenigszins ruim gebruik van opwekkende dranken wijn, bier, jenever, punch — niet zonder schade verdraagt.

Ten slotte zij hier nog opgemerkt, dat, waar wij zelfs van heidenen lezen, dat zij, bij het begin en het einde van den maaltijd, een gebed tot de goden richten, de Christen zich om dan tot God te bidden zeker nog sterker verplicht voelt. Hij toch gelooft, dat ook het natuur-leven door Gods inwerking wordt onderhouden, en dat God door Zijn m de spijzen werkende kracht hem voedt: gelooft, dat hij van zijn Vader in den hemel het dagelijksche brood ontvangt. Ook de Heere en Zijn apostelen zijn in zulk bidden ons voorgegaan. (Matth. 14:19; 26:26; Joh. 6:11; 1 Cor. 10:31; 1 Tim 4 :5.)

Zulk een „tafelgebed" is dan een gebed van dank en om zegen.

Bij het gezellig eten en drinken, dat, wijl het gelegenheid biedt door uitruiling van gedachten — het „tafelgesprek" — ook den geest te verfrisschen, „menschelijker" is dan het eenzame, — moet dan, in het gezin, door den huisvader het tafelgebed worden uitgesproken.

Is het zinneiijk-aardsche leven ook in dezen zin „een gestadige dood", dat het telkens door allerlei kwaal en krankheid bedreigd wordt, de plicht tot zelfbewaring eischt, zoowel de gezondheid des lichaams te bewaren, als zijn krankheid te genezen.

God bindt ons daarbij aan de middelen.

Het ware een zeer verkeerde toepassing van de waarheid der Goddelijke voorzienigheid en een schandelijk misbruik van Jezus' woord: „Zijt niet bezorgd voor uw leven" (Matth. 6 : 25), — indien men zich van dezen plicht ontslagen zou achten.

„Gij zult den Heere, uwen God, niet verzoeken." (Deut. 6: 16 en Matth. 4:7.)

Wat toch Jezus verbiedt, is niet anders, dan het angstig zorgen, waarbij men zijn vertrouwen stelt op de creatuur en God vergeet. Maar ook, de waarheid, dat Gods almachtige en alomtegenwoordige kracht óók bij het in stand houden van ons lichaam de „eerste oorzaak" is, mag niet in valsche lijdelijkheid of in pantheïstische miskenning van de „tweede oorzaken", de menschelijke actie verlammen. God kleedt wel de leliën des velds en voedt de vogelen des hemels, maar de mensch moet naar Zijn wil door eigen arbeid zich kleeden en voeden en ook zorgen voor zijn gezondheid. Daarom blijft het plicht, door

Sluiten