Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MENSCHELIJK LEVEN. — NAASTENLIEFDE.

is de vervulling der Wet; insgelijks gerechtigheid, indien dat verstaan wordt van de idee, niet echter van zulk een liefde als er in dit leven is."

En ook versta men deze woorden van Paulus niet zoo. alsof hij, van de naastenliefde sprekende, de liefde tot God daarbij niet zou

insluiten. .

Vooral in onzen tijd zijn er velen, die met de religie hebben gebroken, maar nog wel willen weten van zedelijkheid en waaronder zij dan uitsluitend verstaan „het leven voor anderen", de welwillende gezindheid tot het bevorderen van het geluk hunner medemenschen. Tegenover het egoïsme, van „ego" = ik, heet dat dan altruïsme, een wonderlijk gevormd woord van het Fransche „autrui" en het Latijnsche „alter" = de ander, en men spreekt dan van egoïstische en altruïstische neigingen in den mensch.

Met de Christelijke liefde tot den naaste heeft dit altruïsme, deze van de religie losgemaakte zedelijkheid, niets te maken. En wat de zaak zelf betreft, zij in het voorbijgaan opgemerkt, dat nog altijd de vraag geldt van Prof. Land, te vinden in diens Inleiding tot dr Wijsbegeerte, p. 421: „Stelt iemand zijn eigen belang wel ooit bij dat van een ander achter, eenig en alleen omdat die een ander dan hij zelf is?" Twee bladzijden verder schreef de Leidsche hoogleeraar dan ook : „Veel redelijker dan het geprezene „altruïsme" is de oude Bijbelsche stelregel, dat men zijn naaste moet liefhebben als zich zeiven."

Welnu, op Paulus' woorden kan dit altruïsme zich allerminst beroepen. Hij toch schreef deze woorden aan Christenen, die zich van den samenhang der naastenliefde met de liefde voor God volkomen bewust waren ; voor wier bewustzijn het liefhebben van den naaste juist een liefhebben was om Gods wil; maar die ook wisten, dat het liefhebben van God zich openbaren moet in het liefhebben van den naaste. Een zelfde gedachte, welke de apostel Johannes uitspreekt in zijn eersten brief, h. 4:20: „Indien iemand zegt: Ik heb God lief, en haat zijnen broeder, die is een leugenaar: want die zijnen broeder niet lief heeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, dien hij niet gezien heeft?"

Zoo bij de bespreking van de sociale beteekenis van het zesde als der nu volgende geboden moet telkens gehandeld van de naastenliefde. Het komt er op aan, goed te verstaan, wat zij is.

En zoo ergens in de Schrift, dan wordt ons dat geleerd door Paulus

in 1 Corinthe 13.

De echte, de heilige naastenliefde wordt daar door den Apostel gepersonifieerd, d. i. voorgesteld als een persoon. Hij teekent ons in 1 Cor. 13 een karakterbeeld van de liefde, waarin hij doet uitkomen haar stichtende, d. i. opbouwende kracht. In h. 8 : 1 toch had hij geschreven : „de liefde sticht." Juist het omgekeerde alzoo van den haat, die atbreekt, neerwerpt, scheiding maakt. En in dit karakterbeeld met

Sluiten