Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

daartoe kwam, kan men er zelfs welsprekend over redeneeren en, gelijk Schopenhauer, fraai over schrijven — dien zal het opbloeien der heilige liefde in zijn hart, sedert hij tot het oprechte geloof in zijn Heiland is gekomen, een wonder van Gods genade zijn; een wonder van Gods genade ook dan zelfs, wanneer het willen van zijn nü goeden wil, door de macht der nog inwonende zonde van zelfzucht, telkens afwijkt. En wie dus met Paulus bij eigen bevinding van een eertijds kan spreken, zal dan ook bewonderen Gods gemeene Gratie, die haar glansen spreidt over het oppervlak eener wereld, in welker diepte schuilen de monsters van haat en nijd, van toorn en boosheid; Gods gemeene Gratie, die nog doet bloeien de bloemen van toewijding en medegevoel, van trouw en rechtsbesef op een bodem, welke m«ar even bedekt de gloeiende lavastroomen van het egoïsme.

Wat toch in de wereld, de menschen saambindt, wat hen vereenigt, is niet de liefde, maar het streven naar genot en naar nut.

Daarvoor hebben zij elkander noodig; zij, die „elkander haten".

En ware er geen gemeene Gratie, die den haat met zijn nasleep onderhoudt en de uitbarsting der zelfzucht tegenhoudt, dan zou, met zoo zwakken band als „voor nut en genoegen", het menschelijk saamleven geen bestand hebben. Het gemeenschappelijk streven toch naar wat genot en nut geeft, houdt slechts zoo lang stand als daarmede saamvalt de bevordering der wederzijdsche belangen ; het verbindt niet, als de liefde, de zielen, en houdt op, als men elkander niet meer noodig heeft. „De Moor heeft zijn arbeid gedaan, de Moor kan gaan", en „de uitgeknepen citroenen worden weggeworpen".

Daarom staat dan ook het zesde gebod met zijn: Gij zult niet dooden — in dezen zijn negatieven vorm noemend de uiterste gradatie van de zelfzucht, —• als de Goddelijke ontkenning tot de zondigmenschelijke bevestiging; als de uitdrukking van wat God niet wil, maar wat gij van nature wel wilt: het leven van uw naasten niet achten, bewaren en bevorderen, en wat Hij u mitsdien verbiedt.

De zonde is ongehoorzaamheid, een zich niet voegen naar den wil, onder de Wet van God.

Gemis aan de ware zelfachting doet den zondigen mensch ook zijn naasten niet achten als mensch. Evenmin toch als in zijn eigen leven, ziet hij in dat van zijn naaste zich afspiegelen het beeld Gods.

De grofste vorm waarin zich deze minachting voor den naaste openbaart, was de slavernij, waarbij de mensch tot een willoos werktuig van zijn medemensch werd verlaagd.

Dan, al is ook de slavernij althans onder Christenvolkeren afgeschaft, het vrije arbeidscontract tusschen werkgever en werknemer, slechts door vraag en aanbod geregeld, had in onze Europeesche samenleving een toestand in het leven geroepen, die van de slavernij wezenlijk

Sluiten