Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN*.

X.

MET-WEERSTAAN.

Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand. Maar Ik zeg u, dat gij den booze niet wederstaat; maar zoo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe.

Mattheüs 5 : 38 en 39.

Gelijk bekend is, zijn er in vroeger en later tijd Christenen geweest — wij denken hier o. a. aan de oude Mennonieten en de Kwakers —, die van meening waren, dat verdediging tegen het onrecht dat men hem aandoet, den Christen niet voegt.

Vooral in onze dagen is, sedert de Russische schrijver Graaf Leo Nikolajewitsch Tolstoi, geboren in 1828, als reformator optrad en zijn werken in verschillende talen zijn overgezet, een dergelijke meening onder vele onzer tijdgenooten weer opgekomen. Volgens haar is niet-weerstaan altijd en overal geldende Christenplicht.

En behalve onder Mennonieten, Kwakers en Tolstoianen heerscht bij velen nog steeds de meening, dat het onrecht weerstaan eigenlijk min „Christelijk" is.

Vandaar, dat het van zoo uiterst belang is, dit stuk, dat, zoo ergens, dan wel hier bij het zesde gebod ter sprake moet komen, onder de oogen te zien.

Nu hebben de voorstanders van de theorie van het niet-weerstaan een ook voor ons uiterst gewichtig argument. Zij beroepen zich — en dat wordt ook gedaan door Tolstoi in zijn werk: „Mijn Geloof", waarvan de Duitsche vertaling in 1902 verscheen — op het woord van Jezus uit de bergrede: „Maar Ik zeg u, dat gij den booze niet wederstaat; maar zoo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe." (Matth. 5 : 39.)

Neemt men dit woord des Heeren op zich zelf, dan zou men kunnen zeggen, dat daarin niet gesproken wordt van een misdoen tegen het leven; een kinnebakslag toch doodt iemand nog niet.

Zien wij echter op het verband, dan voelt men dadelijk, dat deze redeneering niet opgaat.

Vooraf toch gaat: „Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog omoog, en tand om tand." (vs. 38.)

De Heere Jezus wijst in de bergrede ook hier op wat de schare gehoord had bij het onderwijs in de synagoge, bij het onderwijs in de Wet. En dan had zij ook meermalen gehoord van het recht der •wedervergelding; van wat de Romeinen noemden het ius talionis, het recht van de talio, een woord, waarin talis — „zoodanig" zit en dat uitdrukt, dat, „hoedanig" iemand zich misgaat, hij „zoodanig" ook gestraft

Sluiten