Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MENSCHELIJK LEVEN. — DOODSTRAF. NOODWEER. ENZ.

XI.

DOODSTRAF. NOODWEER. OORLOG.

Maar indien gij kwaad doet, zoo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs: want zij is Gods dienares; eene wreekster tot straf dengene, die kwaad doet.

Romeinen 13 : 4.

In dit slothoofdstuk over het zesde gebod hebben wij, nadat in het vorige is gehandeld over de gezindheid der liefde om het onrecht, dat onze naasten ons aandoen, niet te weerstaan, en over de omstandigheden, waarin de betooning dier gezindheid al of niet onze plicht kan zijn, — nog te spreken over het verweer tegen onrecht.

Dat nu dit weerstaan en niet-weerstaan voor den Christen geen onverzoenlijke tegenstelling vormt, zal duidelijk zijn, wanneer wij nog eens herinneren aan wat op het einde van het vorige hoofdstuk gezegd is over de tweeërlei sfeer, waarin een Christen hier op aarde leeft.

Overgezet in het Koninkrijk van God, dat opkwam uit de particuliere Genade, een genade, welke alleen aan de uitverkorenen wordt bewezen, leeft de Christen op aarde reeds in een sfeer, waarin aan het Recht is voldaan; waarin aan wat voor God — zoo in de verhouding tot Hem als ook tot elkander — voor de menschen Recht is, voldaan is door het doen en lijden van Christus. Daarom zal ook de Christen, als de dienstknecht, aan wien zijn koning de tien duizend talenten, welke hij schuldig was, in ontferming had kwijtgescholden, aan zijn mededienstknecht gaarne de honderd penningen kwijtschelden, welke deze hem schuldig is (Mattheus 18:23—35). Daarom zal hij de schuld, die menschen op zich laden, wanneer zij hem onrecht doen, niet vergolden willen hebben; niet handelen naar het recht der vergelding, het ius talionis met zijn : oog om oog, en tand om tand; niet weerstaan, maar dulden; ja, door „vurige kolen" trachten te wekken het smartgevoel der schaamte en des berouws. Daarom zal hij den broeder, den naaste, die tegen hem zondigt, vergeven, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zevenmaal (Mattheüs 18 : 22). Een Christen toch is een mensch, die liefheeft, omdat hij gelooft aan Gods vergevende liefde; een mensch, in wien is de gerechtigheid van het Koninkrijk Gods, omdat hij gelooft, dat zijn God hem de gerechtigheid van den Borg heeft toegerekend.

Maar ook, door God gezet in de aardsche gemeenschap van het gezin, van de maatschappij, van het burgerlijk leven onder een Overheid, die opkwam uit de gemeene Gratie, welke aan alle menschen

Sluiten