Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE KUISCHHEID. — BUITEN-ECHTELIJKE EN ECHTELIJKE.

Ze worden op elkander verliefd.

De zedelijke mensch, de Christen, heeft ook daarbij het natuurlijke te houden onder de tucht van het geestelijke. Inzonderheid hebben Christelijke ouders toe te zien, dat hun kinderen niet verkeeren in kringen, die öf uit godsdienstig öf ook uit sociaal oogpunt de hunne niet zijn. Wanneer uw zoon of dochter verliefd raakt op wie buiten uw kring staat, is dat zeker „bitterheid des geestes" (Gen. 26: 35); doch als ge ze met kinderen buiten uw kring hebt laten verkeeren, is dat üw schuld, en die schuld maakt ge dan nog grooter met plotseling streng op te treden en wreed tegenover de jonge harten te handelen.

Leidt het op elkander verliefd worden tot een verloving, waarvan het doel altijd het huwelijk moet zijn, Christelijke jongelieden zullen den ernst van een zoodanige verbinding verstaan. Zij zullen niet alleen op elkanders uitwendig-lichamelijke, maar ook op elkanders innerlijkgeestelijke eigenschappen zien, en daarbij ook, of er eenheid van geloofsovertuiging is. En kinderlijk ontzag eischt, bij het zich verloven ook de toestemming der ouders te vragen. In de verloving is het plicht om, al is de onderlinge verhouding ook vrijer, toch de kuischheid te bewaren en, terwijl het aan is, niets te doen, waarover men zich schamen zou, als het af is.

Het afraken van een verloving is echter in vele opzichten te betreuren. Vooral voor 'n meisje is het een schok in haar zedelijke levensontwikkeling. Zeker, de verloving moet dienen om elkander nader te leeren kennen; maar om zich zelf het smartelijke, het krenkende van een verbroken verloving te besparen, zij men uiterst voorzichtig met het aangaan van, hoede men zich voor overijlde verloving.

Naar wat zijn moet, mag de verloving alleen eindigen in het huwelijk, in den echt.

Onder echt verstaat men de wettige, op wederzijdsche toestemming berustende, onlosmakelijke verbintenis van één man en één vrouw, aangegaan tot voortplanting van het geslacht en tot wederzijdsche bijstand en hulp in alle dingen, die tot het tijdelijke en eeuwige leven behooren.

Wijl bij deze verbintenis zoowel de twee familiën, die van den man en die der vrouw, als de Overheid en de Kerk haar belangen hebben, komt aan alle drie daarbij zeker zeggenschap toe. Wij hopen in het volgende hoofdstuk hierover nader te handelen.

Over de wederzijdsche hulp en bijstand der echtgenooten is, evenals over de plichten der ouders jegens hunne kinderen, reeds gesproken bij de behandeling van het vijfde gebod.

Hier, bij het zevende, dient alleen gewezen op de kuischheid ook in het huwelijk. Deze toch eischt, wijl in het huwelijk man en vrouw elkander naar lichaam èn ziel toebeliooren, niet slechts de ouderlinge trouw, maar ook, dat men de achting, die men elkander als mensch verplicht is, beware.

Ten slotte zij hier nog opgemerkt, dat, wijl het huwelijk slechts

Sluiten