Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

Dat nu eigendom of stoffelijk bezit een goed is, al kan het ook, gelijk andere goederen, den mensch tot een kwaad worden, wordt door niemand ontkend. Wèl had de dichter Horatius gelijk, „dat ge niet hem, die veel bezit, met recht zult noemen gelukkig",' maar men kan toch ook niet met recht hèm gelukkig noemen, die niets bezit. En het gevleugelde Bcati possidentes, dat de bezitters gelukkig prijst — een woord, waarvan het vaderschap onbekend is, maar dat waarschijnlijk uit tegenspraak tegen het zooeven genoemde Horatiaansche schijnt geboren wordt door ieder gaarne in bescherming genomen en heeft dan ook nog een algemeeneren, dan den specifiek juridischen zin. De bezitters zijn de gelukkigen en de bezitloozen de ongelukkigen.

Dan, wat een mensch gelukkig maakt, wat zijn behoefte, zijn lust bevredigt, zal nog niet altijd óók goed in den zin van rechtvaardig of zedelijk of zelfs maar nuttig zijn. Den drankzuchtige maakt het gelukkig, als hij zijn zucht naar drank bevredigt. Doch, hoe aangenaam dat ook voor hem is, toch handelt hij niet goed en het is hem niet nuttig. Voor wie steelt, moge dit al nuttig in den zin van voordeelig zijn, niemand zal beweren, dat diefstal zedelijk is.

En zoo ook kan de vraag opkomen, of stoffelijk bezit of eigendom, al is het op zich zelf n goed, iets waar wij waarde aan toekennenal is het aangenaam en nuttig, wijl bevorderlijk voor geluk; toch wel goed in den zin van rechtvaardig, van zedelijk is.

Het opkomen van dergelijke vragen is nog niet zoo dwaas, als het schijnt.

Er is, al zijn er ook eeuwige en onveranderlijke beginselen van recht en zedelijkheid, toch een verandering, een wisseling, in het zedelijk bewustzijn der menschen, in hun weet van wat goed en slecht is.

Anders toch is het bestaan dier beginselen, dier ideecn op zich zelf, anders hun meerdere of mindere duidelijkheid voor ons. God gaf ons Zijn Wet, Zijn geboden, als vaste en eeuwige normen; maar het komt er voor ons, menschen, op aan, ze ook te verstaan.

En hierin is verandering, die soms óók ontwikkeling is, te bespeuren.

Sommige dingen toch, die men vroeger zedelijk afkeurenswaardig noemde, worden thans goedgekeurd; en ook omgekeerd.

Oók in de Christelijke wereld.

Zoo, om iets te noemen, — wij zullen er in een volgend hoofdstuk nader op terugkomen — is er een tijd geweest, dat het nemen van renten werd afgekeurd; dat men de slavernij allerminst voor onzedelijk hield; dat men het dulden van, en het toezicht houden op de bordeelen door de Overheid, goedkeurde.

De zedelijke beoordeeling nu is op de eerste twee stukken geheel veranderd, en wat het laatste betreft, zoo al nog niet overal, dan toch in een groot deel der Christelijke wereld bezig zich te wijzigen.

Sluiten