Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

des hemels en der aarde, dadelijk moeten inzien, dat het niet aangaat, bij den mensch te spreken van een volstrekt of absoluut vrije beschikking over het aardsche goed. Zoo al niet tegenover zijn medemenschen, dan toch zeker tegenover God is hij bij dat beschikken aan Zijn Wil gebonden. Wij zullen later aanwijzen, hoe dan ook het woord van Jezus, uit de gelijkenis van „de arbeiders in den wijngaard", dat Hij den heer des wijngaards in den mond legt: „Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil?" (Matth. 20 : 15) de absolute beschikking allerminst leert.

En wat de andere bepaling betreft, kan moeilijk worden ontkend, dat er vele goederen zijn, waarover een mensch eigendom kan hebben en die toch geen vrucht van zijn arbeid zijn.

Veiliger dan bij de twee genoemde bepalingen gaat men dan ook, door den eigendom te definieeren als het recht, dat een persoon op een zaak kan hebben met uitsluiting van ieder ander persoon. Of, duidelijker nog, dat 'n mensch over een bepaald goed zoo te beschikken heeft, dat hij er alles over te zeggen heeft en een ander mensch niets.

Geldt dit bepaaldelijk van het z.g. privaat of individueel eigendomsrecht, de gemeenschappelijke of communale eigendom is dan, dat een grootere of kleinere gemeenschap van personen over een goed diis te beschikken heeft.

Dat nu in den zin, als wij het hier omschreven, de eigendom, zoowel de privaat- als de communale eigendom, metterdaad rechtvaardig en zedelijk goed is, en alzoo de hierboven besproken vraag aangaande den eigendom bevestigend moet beantwoord, daarvoor pleit reeds, wat de Schrift en bepaaldelijk de Israëlietische wetgeving ons op dit stuk leert.

Zij toch wijst ons op de twee vormen van eigendom.

De eigendom van grond en bodem, welke Israël door het lot van den Heere had ontvangen, droeg in zoover een communaal karakter, dat hij aan de geslachten behoorde, aan de familiën, en dat ook blijven moest. Maar daarbij was tevens door allerlei bepalingen, zooals: het doen rusten van het land om de 7 en 7 X 7 jaren, het dan niet bezaaien van de akkers of beplanten van de wijnbergen, en het overlaten van wat er dan toch op groeide, aan slaven en slavinnen, aan huurlingen en vreemden; het overlaten voor de armen, ten dage van den oogst, van korenaren op den akker en van druiven in den wijngaard; en eindelijk het vergunnen aan den hongerige om druiven in den wijnberg en aren op het veld te plukken — de gedachte aan een absoluut vrije beschikking over het land uitgesloten.

„Het land is het Mijne!" (Leviticus 25 : 23.)

De Heere, die de absolute Souverein is, is ook de volstrekte Eigenaar.

Maar evenzeer, zij het ook altijd verantwoordelijk aan den Heere, kent de Wet den /rwaa/-eigendom aan huizen en roerend goed.

Opmerkelijk is daarbij, vooral in verband met de groote gedachte, dat alleen God in volstrekten zin de Heere is ook van het stoffelijk goed, dat de Schrift eigenlijk geen woord voor „eigendom" heeft, maar

Sluiten