Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

bracht te worden; maakt, dat de waarde, die gedurende een heelen dag van haar gebruik te maken is, dubbel zoo groot zal zijn als de waarde, als wat kost, haar voortbrenging en waarvoor zij alzoo te verruilen is.

Maar — en hierin ligt nu het geheim van de meerwaarde — de werkman verkoopt aan den ondernemer voor een prijs, dien hij ontvangt in den vorm van loon, de rwz'/waarde van zijn dagelijksche arbeidskracht, en staat daarbij het gebruik van die kracht aan hem af.

Gaf toch de werkman zijn arbeidskracht gedurende even langen tijd als hij noodig heeft gehad om haar voort te brengen, alzoo gedurende een hal ven dag of zes uren, en ontving hij daarbij evenveel loon als haar voortbrenging hem aan levensmiddelen gekost heeft, dan zou bij den ruil waarde tegen waarde omgezet zijn; er zou vergelding wezen, de loongever zou in geld gegeven hebben, de loontrekker in geld ontvangen hebben, wat de waar, arbeidskracht, waard is; de arbeider, maar ook de ondernemer zou geen winst maken, geen meerwaarde bereiken.

Doch wat geschiedt nu?

Boven den arbeidstijd van zes uur, noodig om de waarde van zijn loon, dat de werkman in den vorm van geld ontvangt, met een gelijke waarde: de aanwending zijner arbeidskracht, te vergelden, laat de ondernemer hem veel langer, misschien twaalf uur arbeiden.

Den ondernemer, den kapitalist, is er alles aan gelegen om den tijd van den arbeid boven den noodigen, den voor een gelijke vergelding van arbeidskracht met loon, noodigen — arbeidstijd te verlengen.

„Deze tweede periode van den arbeidstijd, die den arbeider over de grenzen van den noodigen arbeidstijd drijft, kost hèm wel arbeid, levering van arbeidskracht, maar vormt geen waarde voor hem. Zij vormt meenvaarde voor den kapitalist met al de bekoring eener schepping uit niets" schrijft Marx in zijn: „//^ Kapitaal.'" De arbeider toch, die slechts de rwz/waarde van zijn arbeidskracht verkocht, heeft ook afgestaan haar gebruikswaarde.

De arbeider wint alzoo niets; alleen de ondernemer wint, bereikt meerwaarde zonder zelfs schijn van onrecht.

Om nu deze theorie van de meerwaarde, een der machtige wapenen, waarmee de Sociaal-democratie de tegenwoordige inrichting der maatschappij bestrijdt, des te beter te doen verstaan, zal het noodig zijn, kortelijk te wijzen op de -waardeleer, die er aan ten grondslag ligt.

De oeconomie of, zooals men te onzent zegt, de staathuishoudkunde of de huishoudkunde van de maatschappij, een wetenschap, welke op verschillende wijzen wordt omschreven, o. a. als die, welke zich bezighoudt met de verhouding van de menschheid tot de stoffelijke goederen, — de oeconomie dan houdt zich ook bezig met het begrip „waarde" en geeft mitsdien een „waardeleer".

Onder 'n goed, 'n stoffelijk goed verstaat men al wat ons voldoening verschaft en mitsdien door ons wordt begeerd. In dien zin zijn b.v. 'n brood, 'n kleedingstuk, 'n huis — goederen.

Sluiten