Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

Ten overvloede zullen wij echter hier de drie gronden mededeelen waarop een onzer Gereformeerde moralisten, de Leidsche professor Kivet (f 1651), de meening verdedigt, dat de gemeenschap der goederen in overeenstemming is geweest met den staat der onschuld.

De eerste, zegt hij, is de wilsgerechtigheid, waardoor bij het gebruik van het goed de vrede bewaard bleef; de tweede, dat de aarde, bij de productie van het goed, geene of althans geen bewerkelijke bearbeiding eischte; en de derde, dat niemand het overtollige begeerde, en ieder gemakkelijk aan zijn naaste het noodige toestond.

W anneer men nu professor Rivet zoo geleerd hoort redeneeren, moet men, om hem geen onrecht te doen, niet uitsluitend aan Adam en Eva denken. Hij denkt toch aan den „status innocentiae" in het algemeen, en de bedoeling van zijn betoog is dan ook, de meening te verdedigen, dat, indien er geen zonde ware ingekomen, er ook geen privaat-eigendom zou wezen.

En in deze meening staat Rivet niet alleen.

Zoo onder Gereformeerde als Roomsche Theologen toch zijn er geweest, die het privaat-bezit een gevolg van de zonde achtten.

Deze meening nu is echter door anderen, en onder de Gereformeerden ook door oetius, bestreden, en, naar het ons voorkomt, te recht.

Uit wat hier slechts van onze stamouders, van Adam en Eva, geldt, mag men toch niet besluiten tot wat gelden zou, indien de ontwikkeling een normaal verloop zou hebben gehad, m. a. w. indien de zonde niet ware ingekomen, van heel ons geslacht.

Nu is zeker alle redeneering uit wat er gebeurd zou zijn, indien de zonde eens niet ware ingekomen, eenigszins bedenkelijk; doch zooveel is toch wel zeker, dat de mensch, om in de gemeenschap met zijn soortgenooten op deze aarde Gods wil te doen, ook indien hij geen zondaar ware, een sfeer noodig heeft, waarin hij zich vrij kan bewegen; een sfeer, waarin niemand hem onbevoegd storen mag. En tot deze vrijheidssfeer behoort dan ook de eigendom; het recht om van een deel van het aardsche goed iets het zijne te kunnen noemen; er met uitsluiting van ieder ander mensch over te kunnen beschikken. Eigendom toch is vrijheid.

Dit is niet meer dan menschelijk.

. wijze waarop thans de goederen der aarde verdeeld zijn, moge in velerlei opzicht al een gevolg van de zonde zijn — en armoede is zeker eerst gekomen door de zonde — toch gaat het niet aan, kortweg te beweren: „Het privaat-bezit is om der zonde wil noodzakelijk.

Ja, men gaat zelfs te ver, indien men beweert, dat God de verdeeling der goederen in den staat der onschuld, dus bij een normale ontwikkeling* der menschheid, slechts zou hebben vrijgelaten. De eigendom toch is niet maar een menschelijke uitvinding, want het besef van het

Sluiten