Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1>E EIGENDOM. — GELD EN RENTEN.

Simon den Makkabeör, die in 143 vóór Chr. het recht verkreeg munt te laten slaan, inlandsche, en eindelijk Grieksche en ook Romeinsche munten, welke laatste het beeld van den keizer droegen.

Door de munt nu is het gebruik van het geld als waardemeter aanmerkelijk vereenvoudigd. Thans, nu onder beschaafde volkeren het geld, en bepaald gemunt geld, de eenige waardemeter is, en men onder de waarde van een goed, in geld uitgedrukt, den prijs van het goed verstaat, gebruikt men prijs veelal in den zin van waarde.

Ten slotte nog iets over het papieren geld.

Tot de eigenaardigheid van het geld om zoowel ruilmiddel als waardemeter te zijn, behoort, dat het ook in zich zelf gebruikswaarde heeft. Deze gebruikswaarde nu heeft wel het metalen, maar niet het papieren geld. Tegenover de gebruikswaarde van een stuk goud of zilver toch verdwijnt die van een bedrukt of beschreven stuk papier. Het papieren geld is dan ook niet dan kunstmatig geld. Uitgedacht zoowel om op het gebruik van geld te bezuinigen, als om het vervoer van geld te vergemakkelijken — men denke aan den wissel, — heeft het papieren geld, al vertegenwoordigt het ook slechts een waarde, toch zijn groote beteekenis voor het verkeer. Gewoonlijk onderscheidt men bij het papieren geld: in enger zin representatief papier of dat, wat een gelijke som specie vertegenwoordigt, die b.v. in de kelders van een bank bewaard wordt en welke specie dan tot onderpand dient; Jiduciair of kredietpapier, waarvan de waarde afhangt van de kredietwaardigheid van hem, die daarbij onder handteekening belooft een zekere som geld te betalen; en eindelijk het muntpapier, dat slechts een conventioneele waarde heeft.

Na het geld hebben wij te handelen over de rente.

Daarbij gaat het dan over de vraag, of het nemen van renten al of niet zedelijk geoorloofd is. In onzen tijd denkt niemand er aan, op deze vraag een ontkennend antwoord te geven, want ook de socialisten bestrijden onder de leuze: „geld jongt nieteigenlijk niet de rechtmatigheid van den interest, maar veeleer die van het individueel kapitaalbezit. Toch is eeuwen lang het nemen van renten door de besten van ons geslacht veroordeeld. Wijsgeeren en kerkleeraren verhieven er hun stem tegen; kerkelijke vergaderingen verboden het; en eens gold in heel de Christenheid het nemen van interest, in de theorie althans, voor ongeoorloofd. Maar, hoewel de quaestie van de rente thans is uitgestreden, heeft zij een meer dan bloot historische beteekenis. Zij is toch ook leerrijk voor de moraal, en wel als een treffend voorbeeld van de wijziging van sommige zedelijke begrippen.

Sluiten